Tilburg Virtueel

...in cultuurbreedste zin

Naomi Talitha Klijs - Onderweg naar hoop


Het was alsof God ons had verlaten. Ik ben altijd al naar de kerk gegaan, heb mijn best gedaan om volgens Gods wil te leven, en ik heb vaak gebeden, heel vaak, zelfs gesmeekt of hij wilde zorgen dat we veilig waren. Dat ons niks zou overkomen. Tevergeefs. Gisteren gebeurde wat we al lang gevreesd hadden: de IS viel onze stad binnen. We wisten dat het foute boel was, mijn ouders besloten onmiddellijk te vluchten. We waren net bezig met inpakken toen we gebonk op de deur hoorden, en een stem schreeuwde dat we naar buiten moesten komen. We waren doodsbang, en we deden gelijk wat hij vroeg. Buiten vertelde hij dat als we ons niet meteen tot moslim bekeerden dat ons dan een hoge straf stond te wachten. Een straf erger dan alle andere. Angst en paniek golfde door mij heen, en ik kon mijn ogen niet van zijn pistool af houden.. Toen had mijn pa (god mag weten hoe hij het voor elkaar kreeg) doodkalm gevraagd of hij mijn zusje, mam en ik even alleen mocht spreken. Daarna fluisterde hij dat hij van ons hield, en dat we moesten vluchten terwijl hij de soldaat afleidde. En zelfs mijn jongere zusje wist wat dat betekende…
Steeds maar weer spelen de gebeurtenissen van vanmiddag zich af in mijn hoofd. En telkens als ik er aan denk voel ik me eenzaam, ook al zijn mijn moeder en zusje bij me. We lopen al sinds het moment dat we moesten vluchten, en het is steenkoud. Ik kan nog steeds niet geloven hoe snel alles is gegaan. Vanmorgen was er nog niets aan de hand, maar nu… “Waar gaan we eigenlijk heen, mama?” Het was al de zoveelste keer dat mijn zusje dat vroeg, en het erge was dat mijn moeder het ook niet wist. “Lieverd, dat zien we wel.. Maak je maar geen zorgen.” Toen bleef ze opeens staan. “Ik wil rusten.” Mam pakte haar hand. “Sorry, dat gaat echt niet” “Waarom niet?” “Dat is te gevaarlijk.” Ze keek betreurd naar de grond en vroeg niet verder. Je kon duidelijk zien dat ze doodop was, en ik wilde iets voor haar doen maar dat kon ik niet. Ik kon niet eens vertellen waar we heen gingen.. “Hey Sifra, ik weet al een mooie plek om naartoe te gaan.” Mijn zusje keek me aan, en haar blik zei meer dan duizend woorden Ze zeiden iets over oneindig verdriet, over verwarring, vermoeidheid en angst. Toen schoot iets me te binnen. “We gaan naar hoop.” “Hoop?” vroeg ze verbaast. “Ja. Hoop.” “Waar ligt dat?” Ik dacht even na. “Dat ligt waar dit pad ons brengt.” Ze keek nog verwarder. “Maar we weten toch helemaal niet waar dit pad heen gaat?” “Ja, dat klopt. Toch weten we iets: dat er hoop is. Want dat is er, zolang je niet opgeeft.” Ze glimlachte. “Echt?” “Ja. Dat beloof ik je.” En ik meen het te zien, in haar ogen, tussen de lichtjes van de sterren die ze weerkaatsen: hoop. Toen gaf ze me een knuffel, en fluisterde in mijn oor. “Dankje. Jij bent de liefste grote zus die iemand zich kan wensen.” En ik moest een traantje wegpinken want ik hield zo veel van haar en ik was blij dat ik iets voor haar heb kunnen doen zelfs in deze barre omstandigheden. “We moeten weer door,” zei mam. Ze had gelijk, ik wist het, en zonder dat we iets zeiden liepen we weer verder.
De zon kroop langzaam hoger in de hemel en ik merkte (godzijdank) dat het warmer begon te worden. Mam en ik hadden net de wacht afgewisseld, zodat we alle drie een beetje slaap konden krijgen. Op dit moment, terwijl de hemel roze kleurde, denk ik aan mijn vader. Ik sluit mijn ogen en er komen allerlei herinneringen in me op waarvan ik dacht dat ik ze vergeten was. Zoals die ene keer dat hij lang weg was geweest voor zijn werk, en dat hij toen hij weer thuis was allerlei cadeautjes voor ons had meegenomen. Of die ene keer dat we bij oma op bezoek gingen met kerst. Dat was echt gezellig. En al die keren dat we s `avonds aan de grote tafel met z`n allen gezelschapspellen speelden, terwijl mijn zus en ik eigenlijk allang in bed hoorden te liggen. Het geluid van een auto haalde me uit mijn dagdroom, en de harde waarheid drong weer tot me door. We waren gevlucht. En mijn vader was er niet meer.. De auto, een jeep zag ik, kwam in een snel tempo (voor zover dat mogelijk was op een zandweg) dichterbij. En nou net in de richting die we vluchten.. Dat bracht me op een idee. Snel wekte ik mijn zusje en ma. “Mama, kijk een auto! Misschien kunnen we meerijden en..” Snel stond ze op, pakte mijn hand en die van mijn zusje, en trok ons mee naar de rand van de weg. “Opschieten! Dit kan onze redding zijn.. Als hij stopt, niks zeggen, laat mij maar het woord doen.” We bleven staan, en mam stak haar duim uit. De jeep was nu echt heel dichtbij, en.. en…. Hij stopte. Godzijdank.
Ik zag dat er een man achter het stuur zat, en hij deed het raam open. “Zijn jullie vluchtelingen?” Mam keek ons verschrikt aan, en ik wist wat ze dacht. Als ik ja zeg zal hij ons dan nog wel.. Na een paar seconden nam ze een besluit. “Ja. En we hebben hulp nodig. Alstublieft. Alleen naar de dichtstbijzijnde stad. Dan zullen we u niet meer lastig vallen.” Dit was misschien wel het spannendste moment van mijn leven. Alles hing hiervan af. Alsjeblieft.. Alsjeblìèft, God. “Ik heb nog wat geld bij, als dat u van gedachte verandert.” “Nee.” Zei de man en mijn hart zakte in elkaar. “Ik hoef je laatste beetje geld niet, dat zullen jullie hard nodig hebben. Stap maar in, dan rijd ik jullie wel naar de stad.” En op dat moment wist ik dat God nog bij me was.

Naomi Talitha Klijs