Tilburg Virtueel

...in cultuurbreedste zin


Het neoliberalisme: een gif dat het slechtste in ons naar boven haalt
Paul Verhaeghe over het neoliberalisme
in De Standaard – zaterdag 04 februari 2012

Het neoliberalisme is onze enige realiteit geworden. Paul Verhaeghe, klinisch psycholoog en psychoanalyticus aan de UGent, kon er weinig fraais in ontdekken.


Niet zo lang geleden werd de maatschappij bepaald door vier dimensies: politiek, religie, economie en cultuur. Vandaag is er maar één: het neoliberalisme. Het bepaalt niet alleen de economie, maar ook de zorgsector, het onderwijs, het onderzoek en de media en ondertussen zelfs onze identiteit. Vandaar het idee dat dit het einde van de geschiedenis zou zijn, het punt waar we alle ideologieën kunnen opdoeken omdat het neoliberalisme zich aandient als aansluitend bij de mens ‘zoals hij is’. Egoïstisch en corrupt, zo luidt het, enkel uit op eigen genot en altijd in concurrentie met de ander – survival of the fittest, weet je wel? Wie daar anders over denkt, is naïef. Get real, dat is het ironische bevel. Dezelfde ironie ligt in de zogenaamde realpolitik, ironie omdat een dergelijke politiek de realiteit waarbij ze pretendeert te vertrekken, gemaakt heeft. ‘There is no such a thing as society’, de slogan van Margaret Thatcher, is dertig jaar na datum overtuigend gerealiseerd.

Het is van belang dat we dit beseffen: het belangrijkste product van het neoliberalisme is onze realiteit. En die ziet er als volgt uit.

Een falende economie, en laat dat nu net het domein zijn waar het zou moeten werken. Een vrije markt zou ons betere en goedkopere producten en diensten opleveren. De realiteit is exact het omgekeerde. Nogal wat onderzoek toont aan dat een meer egalitair gerichte economie zowel productiever als efficiënter is. Het Rijnlands model is stukken beter dan het Angelsaksische dat een spectaculaire stijging van ongelijkheid veroorzaakt heeft.

Een maatschappelijke ramp. In dertig jaar tijd zijn de inkomensverschillen in Groot-Brittannië spectaculair gestegen, zodat de middenklasse aan het verdwijnen is. Sociologisch onderzoek toont aan dat er een perfecte correlatie bestaat tussen de inkomensverschillen en alle belangrijke gezondheidsparameters. Hoe groter de inkomensverschillen, des te meer mentale stoornissen, tienerzwangerschappen, agressie, criminaliteit, drugsgebruik; des te lager de levensverwachting, lichamelijke gezondheid, onderwijsresultaten, sociale mobiliteit en ruimer, de gevoelens van veiligheid en geluk. En toch blijven we gebiologeerd kijken in de Angelsaksische lichtbak die alles daarbuiten in duisternis hult.

Een psychologisch gif dat het slechtste in ons naar boven haalt. De financiële gevechten tussen de eurolanden illustreren wat het met mensen doet. Solidariteit wordt een kostbare luxe en moet de plaats ruimen voor tijdelijke coalities met als voornaamste zorg dat men er meer winst uit haalt dan de anderen. Diepgaande sociale banden met collega’s zijn daardoor uitgesloten, een emotionele betrokkenheid bij het werk zelf is er nog nauwelijks en al helemaal niet meer bij het bedrijf. Pesten was vroeger een probleem op de scholen, nu is het volop aanwezig op de werkvloer, als een typisch symptoom van onmacht. Onderhuids leeft er angst, van faalangst tot ruimere sociale angst.

Zelfrespect
Een daling in autonomie en een groeiende afhankelijkheid van steeds verschuivende normen veroorzaken wat R. Sennett een infantilisering van de werknemers noemt. Volwassen mensen vertonen kinderlijke woedeaanvallen, zijn jaloers voor trivialiteiten, deinzen niet terug voor bedrog, koesteren leedvermaak en kleinzielige wraakgevoelens. Nog belangrijker is de aantasting van het zelfrespect. Dit hangt af van de erkenning die men krijgt van de ander, dat is de les die van Hegel tot Lacan doorklinkt. Ongeweten verwoordt Sennett hetzelfde wanneer hij deze vraag in de mond van de huidige werknemer legt: Who needs me? Voor een groeiende groep is het antwoord: niemand. Je telt enkel mee als je succes hebt.

Dat is de boodschap die onze kinderen op school horen. Niet zo lang geleden was het de bedoeling kritische burgers af te leveren die via hun persoonlijke ontwikkeling konden bijdragen tot een betere maatschappij. Dat idee klinkt vandaag ongelooflijk wollig. Universiteiten, dat zijn toch kennisbedrijven die competenties moeten ontwikkelen bij hun studenten zodat ze regelrecht in het bedrijfsleven kunnen stappen? Recentelijk nog deed een aantal prominenten heel concrete voorstellen: verhoog het inschrijvingsgeld voor alle opleidingen die niet aansluiten bij het bedrijfsleven, verlaag het voor wat wel rendeert; wie toch kiest voor een niet-rendabele opleiding, die moet bestraft worden. Dat daartegen nauwelijks protest komt, toont hoe de neoliberale realityshow het gewone leven en dus ook het onderwijs dirigeert.

Ook hier is het nodig de geschiedenis te kennen. De twintigste eeuw leerde dat elke dictatuur het onderwijs aangrijpt om kinderen te indoctrineren. Als reactie daartegen werd de school zoveel mogelijk waardenvrij gemaakt en in dit pedagogisch vacuüm vond het competentiemodel zijn voedingsbodem. De aanvankelijke doelstellingen zijn nobel: laten we uitgaan van vaardigheden die belangrijk zijn in het beroepsleven, zodat jonge mensen alle kansen krijgen om hun eigen weg te banen, los van religieuze en ideologische poespas. Al snel kwam er een betekenisuitbreiding, van praktische competenties (talenkennis) naar persoonlijkheidskenmerken (flexibel zijn), en uiteindelijk naar de persoonlijkheid als dusdanig (de mens als manager van het eigen leven). De link met het neoliberalisme blijkt uit zinnetjes zoals: kennis is menselijk kapitaal; competenties vormen een kapitaal dat geïnvesteerd moet worden; leren is een langetermijninvestering.

Het doel heet zelfmanagement: jongeren moeten zichzelf beschouwen als een bedrijf, waarbij vaardigheden een economisch belang hebben ter verhoging van hun marktwaarde. Daarmee heeft het competentieonderwijs de neoliberale ideologie ten volle geïmplementeerd in de geest van onze jeugd. Waarom zijn we dan verwonderd als hun eerste vraag luidt: wat brengt het op? Voor mij? Hun nieuwe norm heet effectiviteit, het doel is materiële winst, de daarbij behorende deugd hebzucht. De onvermijdelijke keerzijde hiervan is een groeiende groep die zich mislukt voelt, vaak vanaf de leeftijd van tien jaar. ‘Loser!’, is het voornaamste scheldwoord op de speelplaats. Sommige van die losers komen in opstand, maar het merendeel wordt sociaal angstig, gedraagt zich autistiform, is depressief, en nagenoeg altijd hyperconsumerend.

Zelfverwonding
Zymunt Bauman vat de paradox van onze tijd mooi samen: ‘Nooit waren we zo vrij. Nooit voelden we ons zo machteloos’. Overal hoor je klachten tegen ‘het systeem’, niemand krijgt het te pakken. De stakingen van de vorige eeuw hadden effect omdat er een duidelijke vijand was: de patrons. Die zijn verdwenen, in de plaats daarvan zijn er ratingbureaus en aandeelhouders. Psychoanalytisch beschouwd is staking vergelijkbaar met zelfverwonding – de patiënt die alle greep op zijn leven verloren is, kerft dan maar in het eigen vel. Morgen gaat alles weer zijn gewone gang, met dien verstande dat de patiënt nog wat meer patiënt geworden is. De hamvraag luidt: hoe dit anonieme systeem aanpakken? Het toverwoord daarbij is inlevering.

Eerst en vooral op het macro-economische vlak. Nogal wat specialisten zijn het eens. Splits spaarbanken volledig van beleggingsbanken. Belast inkomsten uit arbeid zo laag mogelijk, uit beleggingen zo hoog mogelijk. Beperk inkomensongelijkheid tot normale proporties. Zorg voor een transparante vennootschapsbelasting. Dezelfde specialisten spreken over een verziekte politiek die niet in staat is beslissingen te nemen en alle heil van elders verwacht. Dat elders is er niet. In plaats van de huidige grijze muizen hebben we dringend nood aan verschillend gekleurde politieke partijen die elk hun ideologie naar voren schuiven in democratische concurrentie met andere ideologieën. Op dat vlak volg ik De Gaulle: ‘La politique ne se fait pas à la corbeille’. Dat er ingeleverd moet worden, is duidelijk – in het Westen leven wij ver boven onze stand. Maar die inlevering moet de maatschappij ten goede komen, niet de economie. Als deze zin u verrast, dan moet u vooral verrast zijn over uzelf.

Vervolgens het individuele vlak. De vorige oplossing sluit aan bij een intieme overtuiging: het is de schuld van De Ander. Begrijp: die ander (de profiterende werkloze, de graaiende bankier) moet veranderen en alles komt goed. Helaas krijgen we die ander niet te pakken, vandaar dat we wild om ons heen slaan en vervolgens terug depressief in een hoekje wegzakken. Daarmee zijn we het perfecte spiegelbeeld van de beurs: ofwel ADHD-opverend, ofwel depressief in elkaar zakkend. En in beide gevallen ervan overtuigd dat er een magische pil is die ons zonder eigen inspanning zal genezen. Niet dus. Ondertussen zijn wij allemaal neoliberaal, in ons denken en in ons gedrag, en het is vooral daar dat er een grondige verandering moet gebeuren.

Wij zijn alleen maar consumenten, we moeten opnieuw burger worden. Dat zal een grondige inlevering vragen bij voorkeur samen met de uitbouw van een nieuwe ethiek. Die kan best aansluiten bij de hedendaagse individualisering, met als sleutelbegrip de zorg voor zichzelf. Niet in de prestatiegedreven consumentenbetekenis van het woord, wel in de klassieke zin. Een dergelijke zorg komt steevast neer op matiging en moed, waardoor men geen slaaf is van het eigen lichaam noch van de ander, laat staan van de hedendaagse verplichting tot depressief genot. Op dat vlak inleveren betekent kiezen voor het goede leven, ook voor de anderen, want een dergelijke zorg voor zichzelf is een stevige basis voor burgerschap.

Dit is een verkorte versie van de keynote speech op ‘We strike back’, het stakingsdebat maandagavond in Gent. Meer op http://westrikeback.vooruit.be/