Tilburg Virtueel

...in cultuurbreedste zin

‘Eerst voeden, dan pas opvoeden’


Marten van de Wier, 13 augustus 2015

Gerrit Poels, broodpater uit woede
‘Eerst voeden, dan pas opvoeden’

Gerrit Poels staat iedere ochtend op de pedalen, met fietstassen vol met brood, voortgedreven door woede en mededogen. Jarenlang ving hij daklozen op, en een kwart eeuw geleden begon hij een nieuwe carrière als ‘broodpater’ van Tilburg.
door Marten van de Wier

Gerrit Poels (86) leest de Volkskrant in zijn Tilburgse voortuin. ‘Ik zit mezelf vol te proppen met idealen’, vertelt hij opgewekt, terwijl hij de krant op het tafeltje voor zich mikt. Het is zes uur ’s ochtends. ‘Ik wil weten wat er aan de hand is, om mezelf ertegen af te zetten. Ik richt me op de dingen waar ik woest over kan zijn. Ik moet de oorlog voeden.’ Poels kijkt er ondeugend bij: het hoofd iets scheef, een ironische glimlach op het gezicht. Zijn witte haar piekt aan twee kanten van zijn hoofd omhoog. ‘Vroeger kon ik me dan héél kwaad maken. Nu ga ik eerst een kwartiertje mopperen, en dan neem ik een kwartier pauze.’

Eerder deze ochtend, rond vier uur. Poels zit in de ochtendschemer op zijn stevige zwarte fiets. Een krat voorop, eentje achterop, en twee oude fietstassen die van een bezorger van het Brabants Dagblad zijn geweest: allemaal vol met plastic zakken met brood. En in elke tas een kaartje met het adres, gefabriceerd van een afgeknipt stuk raamlamel. In zijn spijkerbroek, lange jas en met een groen wollen mutsje op het hoofd passeert hij de grauwe gevels van de sociale huurwoningen aan het Nassauplein. Verder­op staan in de oksel van het viaduct van de Ringbaan-West witte betonnen prefab-woningen van kort na de oorlog, met tuinen als kleine paradijsjes, vol beelden en bloemen. In een van de tuinen graast een paard.


Soms zitten de bewoners op hem te wachten, om zo snel mogelijk het tasje binnen te halen. Zodat de buren het niet zullen zien. Zijn werk kan het daglicht niet verdragen, weet Poels. Hier woont het ‘auw mènneke’ dat hij nog kent uit de tijd dat hij een daklozenopvang runde. Daar een vrouw met vier kinderen onder de tien jaar, die recent zijn teruggekeerd nadat ze uit huis waren geplaatst. Poels vindt het goed dat ze terug zijn, zo bedenkt hij, terwijl hij een tasje aan de knop van de voordeur hangt. Ook al is haar opvoedmethode niet volgens het boekje. Misschien herkent hij iets van zichzelf in haar eigenwijsheid.


‘Pater Poels’, zo staat hij nog steeds bekend, ook al is hij al in 1969 uitgetreden. Hij heeft nog maar weinig met de strenge leer van de roomse kerk, maar de ‘broodpater van Tilburg’ is nog altijd een missionaris. Een die zich in eigen land bekommert om de armen. Een die idealen predikt die uit de gratie zijn geraakt. Zijn werk maakte van Poels in Tilburg een fenomeen. Maar omstreden is hij ook: de officiële hulpverleners moeten weinig hebben van zijn onvoorwaardelijke liefdadigheid. Die aversie is wederzijds. Poels vindt de professionele hulp te kil. ‘Honger is honger’, is zijn devies. En honger moet je stillen. Altijd.


Zijn huis in de Tilburgse Textielbuurt groeide sinds 1990 uit tot de officieuze eerste voedselbank van Nederland. Er zijn nog altijd achthonderd mensen ingeschreven. Iedere middag delen vrijwilligers er brood uit. Voor wie niet kan komen, of voor wie de gêne te groot is om aan te sluiten in de rij, stapt Poels al een kwart eeuw iedere ochtend voor dag en dauw op de fiets. Zijn laatste vrije dag was in oktober 1979.


Vroeger bezorgde hij aan huis bij tachtig adressen, tegenwoordig nog bij dertig. Reed hij vroeger tussen twee en zeven ’s ochtends heel Tilburg door, nu zijn de lichten van een tegemoetkomende auto al voldoende om hem verschrikt van zijn fiets te doen stappen. Een oogontsteking, die waarschijnlijk nooit meer helemaal geneest, zit hem dwars. Hij wacht voortaan tot het licht begint te worden: ‘Ik ben een paar keer misgelopen. Ergens tegenaan, of in een kuil of een sloot. Bij wegwerkzaamheden heb je gaten met allerlei apparatuur waar je je lelijk kunt bezeren. Ik heb een keer een beenwond opgelopen die moeilijk genas. Ik kan het me niet permitteren om rust te houden. Mijn mensen rekenen op mij.’


In de voormalige textielstad Tilburg bepalen de oude volkswijken het karakter van de stad. Het zijn de straten waar de buren ’s avonds in klapstoelen voor hun huis zitten en waar de politie af en toe een wietzolder opruimt. Hoewel de gemeente ook graag de andere kant van Tilburg belicht, koestert de stad haar volkse imago. Bijvoorbeeld tijdens de kermis en tijdens het gratis Festival van het Levenslied. Twee jaar geleden verscheen de Quiet 500, een blad dat – met een knipoog naar Quote – aandacht vroeg voor stille armoede. De anti-elitaire Poels voelt zich in deze stad als een vis in het water.

Tilburg heeft ruim tweehonderdduizend inwoners, van wie ongeveer twaalf procent leeft van een uitkering. Eén op de tien Tilburgers heeft een inkomen op of onder de armoedegrens van het cbs. Uitzonderlijk is dat niet. Voor meer dan twintig grote en kleine gemeenten geldt hetzelfde. De armoedegrens ligt voor een gezin met één kind op netto 390 euro per week, voor een alleenstaande op 230 euro. Het aantal huis­houdens onder die grens is sinds 2008 gestegen van ruim zeven procent naar ruim tien procent nu.


Dat is treurig in een rijk land, vindt Poels: ‘Ik ken geen mensen voor wie de uitkering hoog genoeg is voor de betaling van alle vaste lasten.’ Met nadruk: ‘Dat – zit – er – gewoon – niet – in.’ Hij klopt bij elk woord op de eikenhouten tafel in zijn eenvoudige woonkamer. Poels heeft snel wat stapels papier aan de kant geschoven. ‘Als mensen eens een uurtje zwart werken, dan is dat omdat de uitkering zo laag is. En de straf is: de uitkering wordt stopgezet. Hard. Keihard. Een telefoontje dat een vrouw er mogelijk bij werkt, helpt een gezin in de vernieling. Dat verrekte klikken’, zucht Poels. ‘Vaak gebeurt het uit vreemdelingenhaat. Het is bij de konijnen af. Mensen raken steeds verder in de schulden. Dan komen ze het gas en licht afsluiten, en uiteindelijk worden ze op straat gezet.’

De woorden zijn precies gekozen – net als de pauzes. Poels praat met zijn hele lijf: de armen gebaren, het bovenlijf veert mee. Laat je niet voor de gek houden door de vriendelijke ogen en het zalvende stemgeluid. De 86-jarige deelt verbaal rake klappen uit. Wie rechts is of welgesteld mag op de hoon van de pater rekenen. Liberalen bijvoorbeeld, in zijn ogen schuldig aan het gure politieke klimaat ten opzichte van mensen met een uitkering. ‘We kennen allemaal onze vvd’ers als ontzettend hard werkende, nóbele, édele lieden. Daar heb ik níets anders dan respect voor.’ Hij dempt zijn stem, en leunt naar voren over de tafel. ‘Die zou ik graag, als ik ze wist te wonen, brood aan de deur hangen. Zodat ze in ieder geval geen zorgen over hun eten hoeven te hebben.’

‘Dat verrekte klikken over zwart werken. Vaak gebeurt het uit vreemdelingenhaat. Het is bij de konijnen af’

Zijn irritatie zit hem wel eens in de weg. Bij zijn bezoeken aan zijn donateurs van de Tilburgse Kiwanis-serviceclub bijvoorbeeld. ‘Deftige mensen. Een paar keer in het jaar mocht ik langskomen als zij bij restaurant Boerke Mutsaers aan het dineren waren. En dan kreeg ik zo wat geld toegestopt – gemiddeld was dat driehonderd gulden. Het tien-, twintigvoudige van dat bedrag werd op dezelfde avond door de clubgenoten opgegeten en -gedronken.’ Poels kon het niet nalaten een keer een cynische opmerking te plaatsen. Dat was de laatste keer dat hij werd uitgenodigd.

Iets voor achten ’s ochtends. Op een plateau met wieltjes duwt Poels een stapel lege schappen over het pleintje achter zijn huis richting bakkerij Bart van Iersel. Even later staat hij met een stapel van negen schappen, gevuld met brood van gisteren, weer aan de weg. De toren steekt twee koppen boven hem uit. Poels duwt hem voorzichtig van het schuine stoepje af, en het gevaarte helt over. Een auto nadert. Poels gooit zijn lijf tegen de onderkant van de toren, en houdt hem in balans. Het oogt op een vreemde manier volkomen vertrouwd. Dit is dan ook een dagelijks ritueel. Bij deze bakker haalt Poels zelf op, andere bakkers komen hun brood brengen. In totaal doen zeven bakkers mee.

‘Altijd even de kratten tellen, voor het terugbrengen morgen’, zegt Poels, terwijl hij de stapel richting zijn huis duwt. ‘We moeten voorkomen dat de kratten van de ene bakker bij de andere bakker komen staan. Dat ligt héél gevoelig in deze wereld.’

Gerrit Poels groeide op in Berg en Dal, bij Nijmegen. ‘Mijn vader was zo arm als Job, maar heel erkend in ons dorp, als dorpsagent. In optochten ging hij met zijn zwaard voorop’, lacht Poels. ‘Hij wilde zijn zonen en dochters zo veel mogelijk in kerkelijke functies. Uit overtuiging, maar ook vanwege onze armoede. Fraters en zusters hadden altijd werk.’ Zo ging Poels als jongen naar de priesteropleiding in Tilburg. Hij sprak er veel missionarissen, tijdelijk terug in Tilburg. Hij was onder de indruk van hun verhalen. ‘Keihard idealistisch’ waren ze. Begaan met de armen. Met andere geestelijken richtte hij in 1968 daklozenopvang Huize Poels op. Een van die geestelijken was zijn latere vrouw Angelique (nu 76). In 1969 traden ze uit, en trouwden ze. Samen voedden ze acht pleeg­kinderen op.


Een van die pleegdochters neemt stapje voor stapje het werk van Poels over, dat is ondergebracht in de Stichting Broodnodig. Samen werken ze aan een netwerk van uitdeelpunten in de stad, gerund door vrijwilligers. Die moeten geleidelijk de nachtelijke fietstochten en de verspreiding vanuit het huis van Poels vervangen. Poels heeft altijd werkdagen gemaakt van zeventien uur. Het loslaten valt hem zwaar. Zo lang mogelijk houdt hij een vinger in de pap, bang als hij is dat uiteindelijk ‘baasjes’ met ‘eigen koninkrijkjes’ zijn stichting overnemen, en dat die managers dan de boel ‘verzakelijken’.
 
Poels had in 1990, toen hij als 61-jarige begon met het uitdelen van brood, al een heel leven achter de rug. Naast de daklozenopvang had hij in Tilburg een kringloopwinkel en een biologische boerderij opgericht. De daklozenopvang verliet hij nadat de instelling subsidie en overheidsbemoeienis in huis had gehaald. Huize Poels werkte niet professioneel genoeg, zo luidde het oordeel. Poels voelde er weinig voor zijn aanpak te veranderen, en vertrok.

In de stad hoorde hij toen verhalen over stille armoede. Poels kon eerst nauwelijks geloven dat honger een probleem was voor Tilburgers met een dak boven hun hoofd. Hij werkte jarenlang tussen de armen – dat zou hij toch geweten hebben? Hoogmoed, vindt hij nu. Zijn eerste gezin was een Turkse familie. ‘Man, vrouw drie kinderen’, somt hij op. ‘De man werkte ontiegelijk hard, maar was dodelijk verslaafd aan de zware drugs. Hij maakte al het geld op. Zijn vrouw en kinderen leden honger. Ik ben meteen naar een bakker gestapt om te vragen of ik na sluiting van de winkel wat spullen kon ophalen. Dat was zonder moeite afgesproken. Enige tijd later belde een schooljuffrouw mij op: “Er staat een jongetje bij me, dat heeft vanochtend niet gegeten, en heeft ook niets bij zich voor het over­blijven. En gisteren precies hetzelfde.” In no time had ik zo een heel stel adressen.’

Hij moest het anders aanpakken dan bij het opvangcentrum, bedacht Poels. Minder openbaar. ‘Bij hongerlijders is niet honger de grootste plaag, maar schaamte voor de honger. Mensen schamen zich kapot dat ze niet in staat zijn voor zichzelf, hun vrouw en hun kinderen te zorgen.’ Hij besloot zijn werk ’s nachts te doen, en alleen. Een conclusie die Poels ook karakterologisch paste als een handschoen.

Zijn hulp gaat ver. Te ver, vinden critici. Soms regelt hij meubels. Regelmatig betaalt hij energierekeningen

De broodpater is terug van de bakker. Achter zijn huis hijgt hij even uit, een hand tegen de stapel broodkratten. Onder een partytent staan tafels vol pakken yoghurt en vla. ‘We krijgen bijna dagelijks driehonderd pakken’, zegt Poels. ‘En het is nogal niet lekker ook!’ Met een weids armgebaar: ‘Hier, slagroomvla. En Optimel mango!’

Zeker vijf keer per week verschijnt voor het huisje van Poels een grote vrachtwagen van de voedselbanken in Boxtel en Best, met ingevroren melkproducten. De supermarkten houden zo veel over dat de voedselbanken het niet uitgedeeld krijgen. Poels grijpt een pak karnemelk. ‘Schitterend, toch? “Pak maar wat je wilt”, kan ik zeggen tegen onze mensen. Mijn devies: “Geef ze zoveel ze willen. Want werken willen ze, van hier tot gunter! Maar werk is er niet. Dus geef ze dit!”’ galmt hij, alsof hij op een zeepkist staat. Het pak karnemelk klotst in zijn handen.

Poels kent de kritiek op zijn aanpak. ‘Met name de professionele organisaties vinden mijn optreden sinterklaasachtig. Ik vind het niet belangrijk of iets op Sinterklaas lijkt’, zegt hij gedecideerd. ‘Belangrijk is dat mensen iets nodig hebben.’

Met de voedselbanken in Best en Boxtel werkt hij samen, maar met de officiële Tilburgse voedselbank verkeert hij – zegt Poels zelf – in ‘oorlog’. Het is een woord dat hij wel vaker gebruikt voor zijn strijd tegen de gevestigde orde: ‘Ik zeg: “Eerst voeden, dan pas opvoeden.” Maar de voedselbank draait het om: 23 formulieren moeten ze invullen, dan wordt beoordeeld of je achtenswaardig bent om brood te krijgen.’

Dat aantal van 23 is natuurlijk retorische overdrijving. De werkelijkheid is minder ingewikkeld, meldt de voedselbank. Maar een verschil in aanpak is er zeker. ‘Gerrit gaat uit van ik geef omdat u mij dat vraagt’, mailt Harry Kiwitz. ‘Wij gaan uit van geen pakket zonder een traject. Wij vinden emancipatie en weer zelf­redzaam worden van groot belang. Bij dat traject hoort papieren invullen.’ Ook Poels doet prima werk, vindt Kiwitz. ‘Goed dat er meerdere bloemen bloeien.’

Half negen. Poels is dan al ruim zes uur in de weer: hij staat elke dag om twee uur op. Nu vult hij nieuwe plastic zakken met brood voor zijn tocht de volgende dag, in de schuur tegenover de partytent met vla. Achterin ligt een berg vuilniszakken vol gedoneerde kleding. Aan de zijmuur hangen rijen plankdragers. Poels hangt er de tassen aan op, keurig in het gelid. ‘Bonnetterie Ad Robben’ staat op een van de zakken.

Keurend pakt Poels wat broden beet, en daarna gaat een halfje bruin in een Intertoys-tas. Er gaan eierkoeken en mueslibollen bij. Dan pakt hij de volgende zak. ‘Morgen ga ik langs bij een van mijn grootste schurken’, vertelt hij met een ondeugend lachje. ‘Iemand afkomstig uit de Arnhemse onderwereld. Hij heeft nu een stoma, dus hij houdt voor een groot deel zijn gemak.’

Poels probeert zijn mensen hooguit met zachte hand wat te beïnvloeden. Dat ze soms door eigen toedoen in de problemen zitten, interesseert hem niet. Honger is honger. ‘Het brood moet altijd doorgaan. Levens redden heb ik opgegeven. Zo’n poging om iets te verbeteren moet van iemand zelf zijn. Soms geef ik ze wat extra’s te eten mee, zodat ze op die manier voelen dat je hen in het oog houdt. Maar dat doe ik niet prijzend omdat ze het goed doen. Nee, nee! Dan overvraag je heel snel.’

De meeste cliënten beschouwt Poels als ‘onoplosbaren’: het zal ze nooit lukken om zichzelf op te trekken uit hun armoede, of uit bijvoorbeeld hun drugsverslaving, zegt hij. Poels vindt zichzelf niet pessimistisch. Hij baseert zijn stelling op ervaring. Een deel van de cliënten uit zijn oude daklozenopvang komt nu nog steeds hier voor brood. Een steun zijn voor die ‘onoplosbaren’, die bij andere instanties steeds vast­lopen, dat ziet Poels als zijn levenswerk.

‘Je bent tot troost. Niet meer, niet minder. Mensen komen, ik praat met ze, ik geef, en ik zie de stress wegschieten’

Zijn hulp gaat ver. Te ver, vinden critici. Soms regelt hij meubels. Ooit zocht hij voor een jonge vrouw met een slecht gebit en angst voor de tandarts een geschikte praktijk, en betaalde hij honderden euro’s aan tandartsrekeningen. En regelmatig maakt hij geld over om energie­rekeningen te betalen. Dat bekostigt hij uit donaties. Wie doneert, vertrouwt erop dat Poels het geld naar eigen inzicht goed besteedt.


Althans, zo was de situatie altijd. Nu Poels stukje bij beetje zijn taken overdraagt, komt er binnenkort een vijfkoppig stichtingsbestuur dat kritisch meekijkt. Poels’ pleegdochter doet dat ook, en zij heeft de giftenstroom al aan banden gelegd. Poels vindt het spijtig dat hij niet meer snel op eigen houtje kan helpen: ‘De maatschappij heeft geen geduld met mijn mensen. Het heeft geen enkel nut een betalingsachterstand te laten liggen, want dan gaat er een deurwaarder overheen, en een incassobureau. En dan betaal je uiteindelijk veel meer dan wanneer je het nu, acuut, oplost.’ Hij is even stil. ‘Dat heeft misschien zijn eigen graad van dommigheid’, peinst hij. En besluit: ‘Ik heb mezelf nooit op een voetstuk gezet.’

Twee uur: de eerste klanten van Poels staan al voor de poort te wachten. Een vrouw van in de dertig zit onderuitgezakt tegen de schutting. Op drukke dagen komen er honderd man of meer, en staat de rij tot ver op het troosteloze plaatsje met garageboxen achter Poels’ huis. Maar vandaag is het warm, en bovendien ramadan. Veel van zijn moslimklanten komen niet. Ze eten geen brood, maar delen na het breken van de vasten een maaltijd met vrienden en familie.

Twee Marokkaanse dames komen wel. Het zijn cliëntes die Poels helpen als vrijwilliger. Hij geeft ze nog snel wat instructies. ‘Goed, opa’, zegt een vrouw met een roze hoofddoek. ‘Opa’, zo noemen veel van zijn klanten Poels. Hij spreekt op zijn beurt van ‘mijn volkje’.

De poort gaat open om half drie. Een man met een donker baardje en een kreukloos pak gaat op zijn hurken en scant minutenlang alle schappen, op zoek naar krenten­bollen. Een tengere man met een getatoeëerde meisjesnaam op zijn schouder geeft af op de overheid, die hem kort, maar wel geld aan Griekenland geeft. De man in het pak hoort het zwijgend aan. ‘Als we de Grieken niet helpen, komen we hier ook in de problemen’, zegt hij, voordat hij wegbeent, zijn Jumbo-tas stevig onder zijn oksel.

Poels – op geruite sloffen, en in een spijkerbroek en een poloshirt met de knoopjes open – steekt zijn hoofd om de hoek. ‘Jou moest ik even hebben’, zegt hij tegen een jonge, verstandelijk beperkte vrouw. Hij legt een arm om haar schouder, neemt haar apart. Ze heeft drie dagen vastgezeten, na een vechtpartij met haar eveneens gehandicapte broer. Poels heeft het vorige week van een van de buren gehoord. De huisdieren zijn bij het asiel ondergebracht, vertelt ze, maar daar moet nu afgerekend worden. Met minstens twee briefjes. Poels hoort haar aan, het hoofd scheef, een hand in zijn zij. ‘Ik kom er vandaag nog op terug’, belooft hij.

Als de vrouw weg is, stapt een atletische vent op hem af. ‘Pater Poels, ik zal me even voorstellen…’, begint de 44-jarige bedeesd. Het is zijn eerste keer hier. Het was een flinke drempel voor hem, maar hij kan geen kant op. Hij is zijn huis kwijt door een stukgelopen relatie en zit nu zonder geld in een kaal appartement. Hij is ex-delinquent, zit in de schuldsanering, en leeft van vijftig euro per week. Poels leidt hem met een arm op de rug naar zijn keukentje. ‘Wat verf en een stukkie tapijt, en eventueel een kledingkastje’, somt de man op, aan de keukentafel. ‘We nemen deze week even contact op’, zegt Poels.

Hij windt zich nog steeds op over hoe er in Nederland tegen ‘zijn volkje’ wordt aangekeken. ‘Er worden zulke domme dingen gezegd. Dat de bijstandsuitkering wel lager kan. Het onbenul! Als je per ongeluk langs de deur van het uwv loopt, kun je getuige zijn van een scène zoals ik die laatst meemaakte. Ik zag hoe drie medewerkers een gekleurde jongeman, vooraan in de twintig, naar buiten sleurden.’ Het draaide om de strengere bijstandsregels voor jongeren, denkt Poels. Wie onder de 27 is, krijgt vaak geen uitkering, maar moet een opleiding zoeken. ‘En die jongen schreeuwde: “Maar dat kan ik niet! Maar dat kan ik niet!” En ik wilde ook wel roepen: “Dat kan ook niet!” Maar ze flikkerden hem zo tegen de grond aan. Dat is de mentaliteit. Je doet er niets tegen. Dat gaat gewoon door allemaal. Of je moet in opstand komen. Maar ik ben op mijn leeftijd te lui om een opstand te leiden.’

Luiheid, dat kan het niet zijn. Poels heeft zich erbij neergelegd dat hij in het groot niet zo veel kan veranderen. Sinds de oprichting van zijn tehuis in 1968 had hij hele periodes waarin woede hem dreef. Maar dat is minder geworden. Hij koestert zijn band met de Tilburgers. ‘Ik heb zo’n intieme verhouding met de mensen’, zegt hij. ‘Er zijn er tienduizenden in deze stad die mij naroepen: “Opa!” Ook als ik midden in de nacht op de fiets zit. Iedereen aanvaardt mij als voor zichzelf, iedereen, wat voor tuig het ook is. Of hoe mooi ze ook zijn.’

Dat houdt hem op de been. Want natuurlijk vraagt hij zich wel eens af of het zin heeft, dat hij zo tegen de stroom in roeit. Wat hij kan doen is beperkt, besluit Poels. ‘Het is een gebaar. Je bent tot troost. Niet meer, niet minder. Mensen komen, ik praat met ze, of ik zeg niets, maar ik geef, en op zo’n moment zie ik voor de zoveelste keer die stress wegschieten, en hoor ik de opluchting. En dan ben ik een beetje tot troost geweest. Ik heb een leven geleefd met perspectief. Niet groots, geen sterren aan de hemel. Maar ik heb de zekerheid dat als ik doodga de mensen zullen denken: “Hij is er geweest.”’ Hij grinnikt om de dubbelzinnigheid...

Marten van de Wier, De Groene Amsterdammer, augustus 2015