Tilburg Virtueel

...in cultuurbreedste zin

'Niet alle aardbeien gaan naar de veiling’.
En dat is maar goed ook...
 

'Niet alle aardbeien gaan naar de veiling'. Een gevleugelde uitspraak van Gerrit Poels, geuzennaam Pater Poels. Na alles wat ik over Gerrit Poels gelezen en van hem gezien en gehoord heb, heeft deze uitspraak niet in de laatste plaats betrekking op Gerrit zelf. Hij is zelf zo’n aardbei. Poels is wars van de aanpak van de institutionele, door de overheid gesubsidieerde en gereglementeerde hulpverlening. “Niet dat deze vorm van hulpverlening overbodig is, integendeel. Ik werk er waar wenselijk ook goed mee samen. Maar door de reglementering schiet deze echt tekort voor diegenen voor wie volledige participatie in de samenleving tijdelijk of, in veel gevallen, voorgoed is uitgesloten.”

Toen Huize Poels in 1973 – dan inmiddels gevestigd in de Nieuwlandstraat – een stichting werd, werd de ambivalente houding van Gerrit Poels ten aanzien van het gereguleerde welzijnswerk voor het eerst echt duidelijk. Het was de periode dat alles nog een beetje op de bonnefooi ging. De financiële administratie verliep met behulp van ‘huishoud- en groenteboerboekjes’. Belastingconsulent van Reen wees op de onhoudbaarheid van de situatie. “Gerrit, als jij dit allemaal als privépersoon blijft doen, dan word je gepakt.” Poels legde zich bij deze boerenwijsheid neer en Huize Poels werd een stichting. Met een echte voorzitter en een echte penningmeester. Voor Poels echter niet helemaal een bevrijding. Want hij voorvoelde tevens een dreiging vanuit allerlei instanties die nu immers invloed zouden gaan krijgen op de gang van zaken binnen het huis. Hij begreep dat het afgelopen was met de onbeperkte verstrekking van de gratis voedselpakketten. “Dat voel je dan als een inperking van je mogelijkheden tegenover de bewoners. Dat heeft wel geschrijnd, ja”.

Op de markt van welzijn en ongeluk is Gerrit Poels altijd een soort aardbei geweest. Want van 1968 tot op heden is hij de eigenzinnigheid van de spontane aanpak trouw gebleven. “Tot en met mijn theologiestudie verkeerde ik in een uiterst beschermd milieu. Een ‘couveuse-opleiding’ noem ik het zelf.” Geconfronteerd met mensen in moeilijkheden en met ‘dingen die niet deugden in de maatschappij’ – we schrijven eind zestiger jaren – kwam voor hem echter de schok. “Daar wist ik geen barst van. Er is in deze eeuw nooit iemand zo onwetend aan iets dergelijks begonnen als ik. Ik wist echt helemaal van niets, totdat ik die mensen tegenkwam bij die inzamelingsacties. Daar vond ik de motivatie om iets concreets aan al die ellende te gaan doen.” Voorbij was het met zijn passie voor muziek. Voorbij was het met zijn passie voor lezen. Geen beeldende kunst meer. Het genot van een goed glas wijn hing hij ook in de wilgen.

Dat hij die motivatie inmiddels een kleine halve eeuw heeft weten vast te houden moet iets te maken hebben met power en met geloof in eigen kunnen en vooral willen. Maar relativeringsvermogen en humor maken daar ontegenzeggelijk deel van uit: “De variatie van de ellende en van het menselijk failliet is eindeloos. Soms denk ik bij mezelf, nu heb ik het einde van de stommigheid toch wel meegemaakt. Maar dat wordt dan diezelfde dag nog grandioos overtroffen. Dan zaten wij te schateren bij zoveel ellende. Dat klinkt misschien cru. Maar je raakt niet uitgekeken op hoe het mogelijk is dat mensen zo  zijn en handelen. Die variatie aan stommigheden. Dat is een weergaloze revue waar je je soms te barsten over lacht en op zijn tijd enorm om moet janken…”

In 1968 begon Gerrit Poels – eerst nog met zijn tweetjes, later samen met een groter aantal vrijwilligers uit zijn omgeving - de eerste vestiging van Huize Poels aan de Poststraat in Tilburg. “Ik herinner mij de eerste klant nog goed. Ene van Gils. De mare dat er ‘een huis in de Poststraat was waar mensen worden opgevangen’ verspreidde zich al snel door de stad. “Met zijn tweeën, zonder inkomsten. En een paar dagen na de opening moesten we al voor tien mensen eten op tafel zetten. Na krap een maand hadden wij er negentig overnachtingen opzitten.”
En al gauw begonnen allerlei maatschappelijke instellingen door te verwijzen. Wijkhuizen, kloosters, politie, reclassering, sociale dienst, noem maar op: ‘Droppen maar, bij Huize Poels!’.
Jarenlang hing bijna al het werk af van één persoon, Gerrit Poels. Vanaf het moment van oprichting van de stichting deed de professionalisering en institutionalisering in de hulpverlening gaandeweg haar intrede. In zekere mate ook bij Huize Poels. “Vanaf die tijd zaten er mensen in het bestuur en in het medewerkersteam aan wie ik alles kon delegeren. Er waren inmiddels genoeg medewerkers met flinke schouders, met een flinke stem, met een overwicht. En we hadden uitstekende vrouwen in huis die én met grof geweld én met enige bekwame tederheid de mensen wisten aan te pakken zoals ze aangepakt moesten worden. Ik wist dat de zaak zonder mij ook wel kon doorfietsen. En dat werd tijd ook, natuurlijk.”

Als individualist-in-communio maakte het loslaten van de alleenheerschappij hem tot iemand die bevattelijker werd voor kritiek. Een van de kwaliteiten die Poels zich echter niet liet ontnemen was de ‘slagvaardigheid van de formulering’. “Ik was van jongsaf een typische praterd en niet zo’n doenerd. Ik kan uren over stopcontacten praten al weet ik niet hoe ze in elkaar zitten. Dat heeft mij kolossale voordelen opgeleverd. Ik had altijd een antwoord. (…) Ik heb daar gelukkig een stem bij als een orgel. Maar kan het ook met een hoop fratsen en een geintje. Dat relativeert en maakt het meestal weer acceptabel.” Even heb ik de indruk dat Poels mij vragend aankijkt. Maar zijn pretogen verraden al snel dat ook die vragende blik relativerend is bedoeld.
Al die tijd – tot op de dag van vandaag – kreeg Poels de kritiek dat hij zich met zijn naïeve aanpak door zijn cliëntele liet bedonderen. Met name vanuit reguliere instellingen en de politiek. “Natuurlijk ben ik in al die jaren met enige regelmaat bedonderd. Dat moet je dan ook voor lief nemen als je zo kwetsbaar meeleeft met kwetsbare mensen. Ik scheld hem of haar dan wel helemaal de huid vol. Dat moet. Ik kan dit werk niet doen als ik mijn eigen emoties niet serieus neem. En bovendien, ik ben het geld nooit helemaal kwijt, want ik leen het aan hen. Al heb ik mijn eigen boekhouding nooit helemaal precies op orde. Want als uit de boekhouding van de stichting Broodnodig blijkt dat ik meer geld uitgeef dan dat ik heb en dat tegelijkertijd blijkt dat ik meer heb dan dat ik uitgeef, omdat ik nooit rood sta, dan is hier toch wel sprake van een heel merkwaardige economie. En dat laatste heeft hoogst waarschijnlijk te maken met mijn vergeetachtigheid als ik weer eens iets handje contantje krijg.”

Ik herhaal het nog maar een keer: een aardbei is Poels eigenlijk altijd gebleven. Overigens niet van het zielige of hulpeloze soort. Maar van het ongelofeloos eigenzinnige soort. Zo kwam het moment dat hij het ‘ambt’ verliet en dat het tezelfdertijd tot hem doordrong dat zijn relatie met Angeliek ‘anders aan het worden was’. “Ik kon niet meer aan haar ontkomen. Ik heb tegen mijn overheden gezegd dat ik uit het ambt wilde. Het was voor hen als een donderslag bij heldere hemel. Ze lieten me weliswaar met rust. Maar in de stad was ik inmiddels een bekend persoon geworden. Ik was dé pater. Degenen die me kwamen ompraten heb ik strijdloos aangehoord en in mei 1969 zijn Angeliek en ik getrouwd”.
Dat was voor beiden ook het moment om zelf uit Huize Poels te vertrekken en zelfstandig te gaan wonen. “We kregen vrijwel onmiddellijk het verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming of we een pleegkind wilden opnemen. En dat wilden we. In totaal hebben we zes pleegkinderen gekregen die allemaal tussen de zes maanden en twee jaar oud waren. Het is voor mij heel goed geweest dat ze bij ons kwamen. Zo kregen Angeliek en ik toch een soort gezin. Zonder de kinderen was ik te veel vergroeid geraakt met die andere wereld, dan was ik denk ik nog merkwaardiger geworden dan ik al ben. Het huwelijk heeft mij ingeperkt, ik had grenzelozer willen zijn. Tegelijk weet ik dat mijn gezin mijn redding is geweest, om zelf niet te verzuipen”.

Een soort gezin. “Angeliek en ik vormen op de eerste plaats een werkeenheid. Zoals zoveel mannen die gevormd waren als priester was ook ik niet erg geschikt als echtgenoot of vader. Dat is niet ontoevallig óók een betekenis van haar uitspraak dat we ‘niet zijn uitgetreden, maar doorgelopen’. Ik heb erg met haar geboft: een vrouw die zo goed met kinderen overweg kon, met een eindeloos geduld en een enorme werkkracht. De kinderen hebben het goed gehad. Het is ongelofelijk wat Angeliek met hen heeft gepresteerd.” En de kinderen? “Die vinden mij respectabel, maar knettergek. Toch denk ik wel dat ze de echtheid van ons bestaan ervaren. De leukste gesprekken met hen heb ik altijd gehad als ik al was opgestaan en zat te ontbijten, en zij nog naar bed moesten.”
En, niet zonder trots en met de welbekende twinkeling in zijn ogen: “De laatste is op dit moment bezig haar studie af te ronden en dan zal het moment komen dat ook zij ons gezin gaat verlaten. (…) Ja, misschien hebben Angeliek en ik wel te weinig tijd voor elkaar.” De grijns verbreed zich weer onder zijn twinkelende ogen: “Soms krijg ik de indruk dat ik een lasso nodig heb om haar te vangen. Maar dat is een geaccepteerd manco.”

Van de geuzennaam ‘Pater’ lijkt huisvader-van-een-wel-heel-groot-gezin Poels nooit meer af te komen. Was het decennia lang ‘Pater Poels’, inmiddels fiets Gerrit al geruime tijd broodnodig rond als de ‘Broodpater’.
Iedere nacht brengt hij in de hele stad brood rond op een zwaarbepakte, om niet te zeggen overbepakte vrachtfiets: twee volgepakte fietstassen achter, een grote volgepakte kist op de pakkendrager, twee volgepakte fietstassen vóór en boven het voorwiel nog eens een volgepakte kist. Om twaalf uur ’s-avonds staat hij op. Zeven nachten per week en zeg maar 365 nachten per jaar.
Overdag heeft Poels - naast onontkoombare werkzaamheden als administratie, talloze telefoontjes en overleg met samenwerkingspartners – ook nog eens spreekuur met mensen die verlegen zitten om ondersteuning, advies of gewoon een goed gesprek. “Ja, ook wanbetalers, zoals ze gemaksgewijs genoemd worden. Het gewone woord ervoor is natuurlijk ‘mensen die wel willen betalen, maar niet kunnen betalen’. Maar goed… Heel vaak krijg ik met de schuldeisende instantie wel een regeling voor elkaar. ‘Oh, ben jij dat? Maar kun je dan ook voor een eerste betaling zorgen?’ Waar mogelijk verricht ik die eerste betaling. En daar gaat dan voor veel mensen zo’n grote rust vanuit. Niet zozeer omdat de betaling begint te lopen, maar omdat de stress wegebt. Dat is in feite het punt waar het altijd om draait. Of de vervolgbetalingen gedaan worden, houd ik in de gaten. Ik besef wel degelijk dat ik met die ‘leningen’ zeer voorzichtig moet zijn. En dat ben ik ook. Godzijdank niet gesubsidieerd want andere instanties, ja ook de gemeentelijke overheid, vinden mijn aanpak nog steeds te amateuristisch en naïef.  Die zeggen dat ik harde garanties moet stellen. Nou, dat is theoretisch misschien aardig, maar ik kan er niet zo mee uit de voeten. Vooral de laatste jaren merk ik dat mensen die een donatie doen, willen weten wat er mee gebeurt. Dat begrijp ik heel goed, maar het is dan niet aan mij besteed. Natuurlijk moet je geen drugsgebruik gaan financieren. En indirect, via een omweg kan daar inderdaad wel eens sprake van zijn. Maar honger is honger. In mijn tijd bij Huize Poels heb ik ervaren dat drugsgebruikers pogingen ondernamen om van hun verslaving af te komen en toch weer terugvielen. Ik heb er ook van geleerd. Ik kon vaststellen dat die persoon niet alleen faalde, maar ook aantoonde dat het falen bij hem paste, dat hij zelf het falen is. Kortom, er blijft een grote groep van wat Marcel van Dam ooit de ‘onrendabelen’ noemde, de ‘onoplosbaren’. Voor deze groep mensen blijven de reguliere hulpinstanties in veel gevallen ontoegankelijk. Omdat deze onrendabelen gewoonweg niet kunnen voldoen aan de voorwaarden die daar aan hen gesteld worden.”

Poels komt op dreef. Wat hem betreft is de 15 miljoen voor de nieuwe huisvesting van Sociale Zaken een door de werkelijkheid achterhaalde investering. Er vindt momenteel een transitie plaats in de uitvoeringspraktijk die in 2015 moet uitmonden in een nieuwe aanpak waarbij de uitvoerende medewerkers van Sociale Zaken ‘de straat op gaan’. Een praktijk die zich blijkbaar her en der in den lande al heeft bewezen. “Steek die 15 miljoen wat mij betreft dan ook maar in een ‘Achter de voordeur’-project.”…
Naast de nachtelijke broodtochten van Gerrit Poels komen zes middagen in de week ook nog eens zo’n zeshonderd mensen bij Angeliek en Gerrit Poels aan de achterdeur voor een voedselpakket. Zeshonderd? Zeshonderd mensen die dus niet naar de Voedselbank gaan? Ook hier fnuikt zich volgens Poels weer een vorm van reglementering waaronder ook de Voedselbank inmiddels is bezweken. “Wat mensen al niet moeten doen om voor voedselpakketten in aanmerking te komen. Formulieren invullen, bankafschriften overleggen, enzovoort, enzovoort. Voor veel mensen net een brug te ver. Ze doen overigens goed werk hoor, de Voedselbank, en ik werk graag en met grote tevredenheid met ze samen. Ik krijg van hen voedselpakketten die vervolgens hier iedere middag worden uitgedeeld”.
En om zes uur ’s-avonds kruipt Poels dan weer onder de wol. Zeven avonden per week en zeg maar 365 avonden per jaar. Poels werkt letterlijk dag-en-nacht. De avond is voor de broodnodige rust. Al betreurt hij het dat hij daardoor menige snookerpartij op de BBC moet missen. 
Vakantie? Een paar dagen vrij? Eén dag vrij…? In al die jaren welgeteld één dag. Jaren geleden. Een dag waarvan Poels niet wist hoe hij die door moest komen…

Die tomeloze energie. Bijna triomfantelijk vertelt Poels de anekdote over de studente journalistiek die onlangs achterop de fiets van haar vader gedurende een nachtelijke broodtocht film-opnamen maakte. “Ik heb de eerste rit die nacht maar wat korter gehouden. Ik kon het die vader toch niet aandoen om zo lang met zijn dochter achterop rond te laten zeulen?” Als Gerrit Poels even later opstaat om in de keuken de telefoon op te nemen, zie ik ook de broze breekbaarheid van een man die de 80 ruim gepasseerd is. Wat een sterke, eigenzinnige en van humor doorspekte geest in een fragiel maar nog steeds ongebroken lijf vermag…


Voor wie meer over Gerrit Poels, de geschiedenis van Huize Poels en de ‘methode Poels’ te weten wil komen:
Goeiemorgen Poels!’, Vijftien jaar wel en wee van een eigenwijs opvangcentrum. 1968-1983. Drukkerij Uitgeverij H. Gianotten b.v., augustus 1983
Niet alle aardbeien gaan naar de veiling’, scènes uit een eigenwijs opvangcentrum. 20 jaar Huize Poels. Uitgave: Stichting Gerrit Poels Fonds, april 1988
Een dwaas bestaan’, Gerrit Poels, broodpater, mei 2009. ISBN: 978 90 5625 303 5

- - - - - - -
Tilburg, juli 2013, Alard Govers
(een geredigeerde versie van dit artikel is onder de titel 'Ik moet ook mijn eigen emoties serieus nemen' verschenen in Quiet 500, oktober 2013)