Tilburg Virtueel

...in cultuurbreedste zin

TilburgZoap - Aflevering I

1-themanwhoknewtoomuch

Alard Govers

De regen striemde de voorruit en ondanks de driftig heen en weer slaande wissers, ontnamen de uiteenspattende druppels hem het zicht op een bebaarde man die midden op het zebrapad zijn eigen movel stond te lezen. Voorzichtig verkeersdeelnemer als hij was, had hij zijn onopvallend Golfje al op een taxistandplaats op de Heuvel gemanouvreerd. Even snel als de wolkbreuk was losgebarsten, klaarde de lucht weer op. Hij wilde juist weer optrekken toen er op de rechter zijruit werd gebonsd. Een woeste blik keek hem door het bedruppelde venster aan en de bijna tandeloze mond eronder bulderde dat hij hier ‘subiet op diende te rotten'. Triomfantelijk en geroutineerd haalde hij zijn identiteitskaart tevoorschijn en drukte deze tegen de ruit. De taxichauffeur droop af. Fons de Peuter bromde grijnzend en bedacht dat zijn werk als rechercheur toch ook zo zijn voordelen had.

Jarenlang was hij werkzaam geweest bij de Directie Bijzondere Inlichtingenmiddelen van de toenmalige BVD, afdeling Politiek en Bestuur, sectie Bestuurlijk Onderzoek. Maar het was hem allemaal een beetje teveel geworden. Al die Jansen & Jansen-achtige types, waar de bolhoeden en de zwarte parapluis maar ternauwernood aan ontbraken, de talloze miskleunen, het nutteloze screenen en afluisteren, de tientallen rapporten die in bodemloze ladekasten verdwenen. Toen hij een keer schreeuwend wakker was geworden en zijn vrouw hem verontrust had gevraagd "Hoezo, weet je te veel, Fons?", had hij zijn besluit genomen. Sinds een jaar had hij zich min of meer teruggetrokken als rechercheur bij de Politie Midden en West Brabant . Standplaats Tilburg, dat wel. Van echte rust was dus nog geen sprake. Maar gewetenswroeging hoefde hij niet meer te hebben.
Nog niet zo lang geleden was hij nog gebeld door Wouter Bos, die hij had leren kennen tijdens de screening van een Shell-medewerker. Of hij wellicht wat dossiers ter inzage had. Over de ministeriële besprekingen over Irak.
"Ja, maar nee", had hij geantwoord. "Die heb ik opgeborgen en die blijven opgeborgen. Maar één ding wil ik je meegeven, Wouter. Brand je vingers er niet aan. Het is te explosief. Nederland is er nog niet klaar voor. Ga gerust het land in, jongen, praat met Jan en alleman. Maar sla mij gewoon effen over, ok?". 

Hij was op weg naar het stadhuis. "Een voor jou op maat gesneden klus", had zijn leidinggevende hem via de telefoon toegefluisterd. Kennelijk iets politieks, had hij gedacht. Graffiti op een muur in een van de toiletten op de bestuursetage. Hij had gefronst, niet wetend waarom juist hij hierop werd afgestuurd.

Hij reed de parkeergarage in, waar hij beneden werd opgewacht door een kennelijk leidinggevende beveiligingsbeambte. Hij volgde de in een strak zwart pak gestoken ambtenaar naar de lift, die in luttele seconden naar een van de hoogste échelons suisde. Ze liepen de gang door naar de toiletten, waar ze de openstaande deur van burgermeester Vreeman passeerden. "Kennelijk een zaakje dat stinkt", lachte deze hem toe.
Eenmaal bij de toiletten aangekomen viel zijn mond open van verbazing, bijna gevolgd door een bulderende lach die hij nog juist wist te onderdrukken. Op de muur stond in een meer dan beschaafd handschrift:

Wie hier heeft zitten schijten, moet er zelf zijn naam in bijten
Want d'n burger wil weten, wie hier heeft gescheten

Op de vloer eronder lag een flinke stapel boeken op een meermaals gevouwen, groen vilten laken. Een biljartkeu lag er schuin tegen omhoog. De pomerans leek op de titel van het bovenste boek te wijzen. Hij las de titel en een vage associatie aan Peter Faber drong zich aan hem op.
In gedachten verzonken, kreeg hij een oproep via zijn diensttelefoon.


Omdat het kerkhof aan de Bredaseweg zich op loopafstand bevond, besloot hij zijn auto in de parkeergarage van het stadhuis achter te laten. Bij het kerkhof aangekomen werd hij opgewacht door de dienstdoende agent. Stef van Dooren, meende hij zich te herinneren.
"Komt u mee, mijnheer de Peuter, het is niet ver van hier".
Zij liepen het pad af naar het eind van het kerkhof en passeerden daarbij het ornament van Marietje Kessels. Het beeld van een meisje dat zich aan een kruis vastklampt, versteende zijn ziel.
Even verderop ontwaarde hij de ogenschijnlijke grafschennis. Ogenschijnlijk, want wat hij zag, was niet meer dan een wit maxi-T-shirt dat om de schouders van een beeld was gedrapeerd. Op het natgeregende stuk textiel was nog duidelijk een meer dan beschaafd geschreven, drieregelige tekst leesbaar:

Mijn leven is een kinderhempje
U hoeft het niet voor te bedrukken
Ik schijt het liever zelf vol


‘Cats in het bakje', mompelde hij
. Hij las de naam van de overledene op de grafsteen. Politierechercheur Fons de Peuter, voormalig BVD-‘spion' en de man die zijn geliefde ooit ruw wekte met de kreet ‘Ik weet te veel', schrok. Dit was inderdaad een op zijn maat gesneden zaak geworden. Hij las de beslist door dezelfde dader geschreven regels op het verregende T-shirt nogmaals en probeerde zichzelf gerust te stellen.
"Regels zijn regels, van Dooren. Wat mij betreft, krijgt dit verhaal een vervolg maar zijn dit ook de laatste regels die zijn overtreden!". Stef van Dooren keek hem niet begrijpend aan. Fons de Peuter belde het RHC.
"Ja Ronald, idioot, ik weet dat de overledene dood is. Toch wil ik alles over hem weten. Niet in de laatste plaats alles over zijn nu nog levend nageslacht. Alles, hoor je me? Alles...!"
"Wat!?", riep hij verbaasd, terwijl hij de ander zijn verhaal liet doen. Hij drukte af en belde zijn assistent. "Hein, kom direct naar het stadhuis en neem hier de zaak van mij over".
Hij verontschuldigde zich bij de zwartgepakte ambtenaar en haastte zich naar beneden.

Tekst: Alard Govers
Illustraties: Hjalmar van den Akker