Tilburg Virtueel

...in cultuurbreedste zin

TilburgZoap - Aflevering III


Berry van Oudheusden

De Kromme keek vanuit het raam van zijn flat naar het meest troosteloze stukje in de stad. De grijze, dooie en altijd naar bloemkool stinkende uitbreidingswijk was zijn laatste toevluchtsoord. Hij kon destijds kiezen uit drie doodskisten en hij had deze maar genomen. Het was zes hoog en zo had je tenminste nog wat vrije lucht om je heen.

Hij liet nogmaals zijn oog op de krantenkop vallen: Fietsen gestolen uit politiekelder. ‘Prutswerk’, zei De Kromme in zichzelf. ‘Als je het goed wilt doen, pik dan hun dienstwapens als ze weer eens zitten te maffen’. Maar ja, ze konden niet allemaal zo vindingrijk zijn als hij.Ondanks het feit dat hij op zijn bankrekening had gezien dat de bijstand gestort was, kon De Kromme niet opgewekt raken. Hij wist niet of het door de pillen kwam of door de drank, normaliter toch zijn beste vrienden. Of was het die onophoudelijke stem in zijn hoofd, zijn eigen stem. ‘Je moet eens een moord plegen’, zei die, ‘dan ga je jezelf beter voelen’. En De Kromme zag zijn slachtoffer al smekend op zijn knieën voor hem zitten, terwijl hij de loop tegen diens voorhoofd duwde. Maar dan?Klik!, knal!, weg!… Zou dat voldoening geven? Nee, want het lijden is zo veel mooier dan de dood. En het mysterie niet te vergeten. Het raadsel waarmee hij onsterfelijk zou worden. Die ingenieuze puzzel waarmee hij alle kloothommels in verlegenheid zou brengen. Dan hadden ze hem maar niet de kroeg uit moeten gooien omdat hij gewoon de waarheid zei. Dan hadden ze hem die diefstal maar niet moeten aansmeren. Dan had zijn o zo trouwe schatje hem maar niet moeten belazeren. De Kromme nam nog een slok. De wodka gleed als koude tranen in zijn keel, en voor een deel via zijn kin en hals in het schone overhemd. Hij keek naar de digitale klok. Het was al tien voor elf in de ochtend.Een uurtje of wat later had hij zijn spullen bij elkaar. Nee, het verhaal was nog niet af. Er moesten nog wat hoofdstukken geschreven worden. Maar de gedachte aan het toekomstige genot bezorgde hem ook een weeïge bal in zijn maag. Hoe was het mogelijk dat een geliefd en deskundig leraar Nederlands zo was afgegleden?

De Kromme had het zichzelf vaak afgevraagd, maar hoe meer hij was gaan drinken hoe lelijker die historie werd.Tja, die snotapen hadden hem De Kromme genoemd, maar dat had hij eerder als koosnaam dan als belediging ervaren. Kwam het door de drank? Volgens dat wijf van hem wel. Maar ja, als hij over haar moest beginnen… Of was het toch dat ondoorgrondelijke labyrint van muren en deuren waar hij tegenaan liep als hij eens een keer hulp nodig had?Weer zag hij zijn slachtoffer voor zich. ‘Ja, Van Dooren, doe nog maar een weesgegroetje. Je hebt mij genaaid en nu kun je daar boven voor eeuwig gaan zitten rukken omdat je zo’n geweldige speurneus was. Ik was het toch, Van Dooren, die je zo nodig iets moest aanrekenen waaraan ik part noch deel was? Doe ook nog maar wat onzevaders want je weet maar nooit of ze je geloven daar boven. God’s only leugendetector! Het liefst zou ik deze loop in je reet steken’.Op dat moment besefte De Kromme dat zijn taalgebruik er ook niet op vooruit was gegaan. Dat stak hem misschien nog het meest. De man die Vondel, Bilderdijk en Marsman onder de aandacht had gebracht van zijn leerlingen? Maar ja, je moet toch iets als je aandacht wilt krijgen. Aandacht voor de goede zaak.Dat dreef zijn blik terug naar de rugzak die tegen de muur stond. Was hij niets vergeten om het verhaal verder te schrijven? De Kromme liep naar zijn bagage en opende de rits, maar hij wist meteen dat hij deze handeling al drie keer had verricht. ‘Verdomme waar is mijn zelfvertrouwen gebleven? Natuurlijk heb ik alles. Nu nog alleen die duivelse rit naar het stadscentrum. In die door goedkope parfum verziekte stadsbus en de trieste koppen van die slaven met hun lege boodschappentassen’. Desondanks gaf de gedachte aan zijn reisbestemming hem nieuwe moed. De Kromme slurpte zijn glas leeg, tilde de rugzak op en liep naar de voordeur. Op dat moment ging de telefoon.

Tekst: Berry van Oudheusden
Illustratie: Hjalmar van den Akker