Tilburg Virtueel

...in cultuurbreedste zin

TilburgZoap - Aflevering IV

Ton Linden

“Daar heb ik nou eens helemaal geen zin in”, dacht hij en trok de deur achter zich dicht. De telefoon bleef rinkelen. Zeker de laatste tijd bemerkte hij bij zichzelf een voor hem merkwaardig gedrag. Bij café Weemoed dronk hij te veel, betaalde niet, liet de bedragen opschrijven en durfde zich niet meer te vertonen.

Maar waar dán naartoe? En meer nog: de telefoontjes die hij niet aannam, als er gebeld werd deed hij niet open, post die hij ongeopend in een kartonnen doos bij de achterdeur deponeerde en mail die hij ongeopend verwijderde. Niet dat het iets hielp, niet dat hij er minder onrustig van werd. Meer nog het tegendeel. Ook nu weer. Zijn adem zat hoog, daar waar zijn hart klopte in zijn keel. Langzaam liep hij het grindpad af en hoorde het gerinkel van de telefoon alsmaar zachter worden. “Dat ze maar bellen, ik ben er niet”. Op het moment dat hij het tuinhek sloot kon hij niet horen dat een donkere mannenstem gehaast zijn antwoordapparaat insprak: “Kromme, het gaat niet door! Hoor je me? Het gaat niet door! Thuisblijven dus!”.

Als hij geen pijn zou hebben gehad in zijn rechterschouder zou zijn rugzak ook op zijn rug hangen. Nu bungelde zijn rugzak een zijn pols en bij elke stap tikte hij even de grond aan. “Wat is dat toch?”, vroeg hij zich af. ’s Nachts kon hij niet slapen van de pijn in zijn schouder. Zijn rechterschouder. Dan draaide hij op zijn rug en weer op zijn zij en toch…van slapen kwam niet veel. De man van de beddenwinkel, of was het toch weer dat mooie meisje dat hij zag in de pauze in het Jan van Besouwhuis, had hem geadviseerd een multisleep-kussen te gebruiken en hij had het gekocht. Niet dat het veel hielp. En overdag wist hij vaker niet of hij sliep of wakker was. Was dit alles een droom? En als Weemoed nu eens niet bestond? En dan werd hij zo meteen wakker en was dan alles weer bij het oude? Maar wat was het oude? Was hij wel de oude? Was hij niet gewoon in de verkeerde film terechtgekomen?“Dat zou je wel willen”, sprak de dwerg die al sinds drie weken niet van zijn zijde wilde wijken. Ook de Kromme was in eerste instantie verbaasd dat zomaar – uit het niets (was het uit het niets?) - een dwerg zijn gezelschap had gezocht, met hem meeliep, met hem meedacht. Soms zelfs zijn koers bepaalde. Een dwerg – was het wel een dwerg? Ja, klein was hij wel. Maar als je je bril opzette en beter keek, leek hij te vervagen. Van een afstand leek hij op een kleinere uitgave van zichzelf. En het vreemde was– zeker de laatste tijd – dat als hij zich in gezelschap bevond, de mensen niet meer tegen hem spraken maar tegen zijn dwerg. Zelfs bij Weemoed. Als dat zo doorging zou hij zelf misschien wel vervagen.  

Hij hief zijn arm, de bus stopte en hij stapte in. Snel nam hij de situatie in zich op. “Niet links”, dacht hij, tenminste van de chauffeur uit gezien, “niet links”. En een plek waar niemand eerder gezeten heeft vandaag. Dan zou het spel niet meer gespeeld kunnen worden. En ook al had hij niet gehoord dat het niet doorging en hij thuis moest blijven vandaag: het spel vraagt om gespeeld te worden. Zo veel plekken bleven er niet over. Ja, toch, daarachter, en ook nog links. Een mooie plek. Aan het raam en met naast hem plaats genoeg voor een dwerg als die tenminste ook naast hem wilde zitten.Met zijn voorhoofd tegen het raam – was het buiten zo koud of had hij het zo warm? – onderdrukte hij het angstige gevoel dat zich de laatste weken van hem meester maakte.

“Zal ik hier uitstappen? Of toch de hele rit maken?”, vroeg hij zich af. De bus stopte op de Heuvel en toen hij naar buiten keek zag hij zijn dwerg staan, met zijn rugzak op het trottoir. Iedereen was uitgestapt. Hij was blijven zitten en toen de bus optrok in een walm van rook en met slippende banden, zwaaide de dwerg en lachte zijn kleine tanden bloot.
“Maar dat ben ik!” schreeuwde hij. “Maar dat ben ik!”
Niemand hoorde hem. De bus verwijderde zich van de halte; de gebouwen werden kleiner, de mensen werden kleiner, hij werd kleiner.
En hoewel hij links was gaan zitten, juist daar waar nog niemand eerder gezeten had, vervaagde hij langzaam zoals schuim van bier verdwijnt als je te lang bij Weemoed met een bierviltje hebt zitten spelen. En terwijl hij tijdens de rit op de Schouwburgring langzaam verdween, werd tegen de ander die zich voor hem uitgaf gesproken: “Fijn dat je hier bent, ik dacht dat je nooit zou komen”. Hij draaide zich om en keek in het gezicht van het meisje dat hij in de pauze had gezien in het Jan van Besouwhuis.
“Ze is mooi”, dacht hij.

Tekst: Ton Linden
Illustraties: Hjalmar van den Akker