Tilburg Virtueel

...in cultuurbreedste zin

TilburgZoap - Aflevering VIII


Aldert van der Burg

“Het meisje en de dood…”, mompelde De Peuter. De titel deed hem denken aan een walgelijke passage uit een interview met een bekende Tilburgse dichter, dat enige tijd terug in de Brabantse Koerier was verschenen. De poëet had hierin aangegeven dat hij gefascineerd was geraakt door ‘meisjes van 17, net gestorven, nog warm en met een lekkere losse kringspier’. De dreun die De Peuter had opgelopen door de aanrijding met de BBA-bus mocht dan zijn loopvermogen hebben aangetast, zijn geheugen was er zeker niet minder om geworden. De rechercheur werd misselijk bij de herinnering aan de uitspraken van die zieke vent.

Onbegrijpelijk dat zo’n krant kritiekloos dit soort uitlatingen één op één overnam. De Peuter had – als conservatief opgevoede raskatholiek – al genoeg moeite met het accepteren van zijn eigen opbloeiende homoseksualiteit, om nog maar te zwijgen over de consequenties hiervan voor zijn ingekakte huwelijk, dat hij samen met zijn vrouw kunstmatig in stand hield. Met niemand praatte hij hierover. Alleen een oud-gemeenteraadslid van een grote fractie, met wie hij sinds kort een heftige, amoureuze verhouding had, kende alle details van De Peuters gevoelsleven. En alleen bij hem voelde de rechercheur zich echt op zijn gemak en kon hij zijn ware aard tonen. Hoe zalig was het om in de armen van deze heerlijke man weg te kruipen! 

De zon brak door. De Peuter stond nog steeds bij het beeld met de doorweekte dichtbundel in zijn handen. Hij bladerde deze even door en besloot dat Peters hierop zijn tanden mocht stukbijten. Als die kwal maar niet dacht dat hij wederom zijn medewerking kon weigeren. De vraag was welke rol ‘Het meisje en de dood’ zou kunnen spelen bij de oplossing van het raadsel waar De Peuter met zijn team voor stond, en of de bundel überhaupt wel een factor van belang was.
Erg vergevorderd met het onderzoek naar de plafondschijter waren ze nog niet. Uit buurtonderzoek was gebleken dat getuigen na de vijf brandjes in de Pieter Vreedegarage vier mensen hadden zien wegrennen, twee mannen en twee vrouwen.
“De volledige VVD-fractie in de Tilburgse gemeenteraad!”, zo had Van Dooren tijdens het rechercheoverleg opgewonden gespeculeerd. Die verklaring lag natuurlijk zeer voor de hand. De verhoudingen tussen verschillende fracties in het hoogste orgaan van de stad waren al sinds de laatste gemeenteraadsverkiezingen niet al te best meer. Er werd soms een vuil politiek spelletje gespeeld. Daarover had LST-fractievoorzitter Hans Smolders hem bij Mie Peters al genoeg verteld. En de onderlinge treiterijen gingen steeds verder.

Toch zag De Peuter de vier VVD’ers niet aan voor brandstichters. Als de liberalen hiervoor verantwoordelijk waren, zouden ze hoogstwaarschijnlijk de terreur die drie jaar geleden in de stad had plaatsgevonden, nota bene in de vorige raadsperiode toen de tegenstellingen in de raad nog niet zo scherp waren, ook op hun kerfstok hebben. En dat leek De Peuter zeer onwaarschijnlijk. Desondanks zou een aantal mensen uit het rechercheteam de alibi’s van de heren Möller en Lauwerier en de dames Franssen en Van Heeswijk nagaan. Na zo’n lange carrière deed niets De Peuter meer versteld staan, dus het zou hem ook niet verbazen als leden van coalitiepartijen de brandjes en de mysterieuze boodschappen op hun geweten hadden, puur om de oppositie verdacht te maken. Ja, zelfs de mogelijkheid dat het college hierbij betrokken was, sloot hij niet uit. 
Hij voelde bij dit onderzoek de hete adem van ons meske in zijn nek. Na de ontdekking van het beschreven T-shirt op deze begraafplaats had hij haar samen met Van Dooren op het stadhuis bezocht. De ontmoeting was in één woord verschrikkelijk. Nee, verschrikkelijk is veel te zacht uitgedrukt. Het was De Hel. Ze hadden er krap een halfuur gezeten en hij schatte dat ze zeker vijftig keer het woord ‘godverdomme’ had laten vallen, of liever gezegd: uitgespuugd.
“Jullie zijn volkomen incompetent”, had ze steeds schreeuwend herhaald. Ze eiste dat er binnen twee weken resultaten bij de opsporing van de daders zouden worden geboekt.
Omdat De Peuter na zijn ongeluk enige tijd in het ziekenhuis had gelegen, had zijn team er nog een paar weken bij gekregen. Als er na die periode nog geen verdachten waren aangehouden, zouden er koppen rollen, had ons meske het rechercheteam verzekerd. Ze moesten die vrouw een nekschot geven,  dacht De Peuter bitter. En dan komt ze er nog best vanaf, héél best.
Hij had nooit moeite gehad met vrouwen in hogere functies, maar door deze bitch begon hij zowaar ernstig te twijfelen. 

De begraafplaats baadde nu volledig in het zonlicht. Voetstappen die hem van achteren naderden, deden De Peuter beseffen dat hij wel erg diep in gedachten was verzonken. Daar zul je Van Dooren hebben, dacht hij dromerig. Hij kon zich nog niet helemaal van zijn mijmeringen losmaken, maar draaide zich automatisch om om te kijken wie er op hem afkwam. Inwendig vloekte hij toen hij zag dat het niet Van Dooren, maar de journalist Jeroen Wittebrood van de Brabantse Koerier was. Zijn die klootzakken van de pers dan toch iets op het spoor gekomen, dacht hij?

Tekst: Aldert van der Burg
Illustratie: Hjalmar van den Akker