Tilburg Virtueel

...in cultuurbreedste zin

TilburgZoap - Aflevering XII

Naomie Engels 

‘En wat doen jullie hier?!’, riep de deels rood en wit geworden gemeentesecretaris uit, toen hij hen zag staan naast de deur. Zo onzichtbaar als ze zich hadden gewaand waren ze uiteindelijk toch niet geweest. ‘We hoorden de bluesmuziek en wilden even vragen wie de artiest was’, stamelde de zogenaamde bluesliefhebber De Peuter. ‘Ja, inderdaad’, begon De Kromme, ‘het leek erg veel op iets wat ik thuis in mijn kast heb staan en we wilden er dus achterkomen of dat ook daadwerkelijk het geval was.’ ‘Nou’, zei de gemeentesecretaris met verheven stem, ‘ik geloof er helemaal niets van, maar kan ook het tegendeel niet bewijzen. En nu wegwezen!’

Twijfelt u  aan mijn passie voor blues, meneer?’, zei De Peuter, nadat hij zijn minachtende houding tegenover alles wat leeft en een stropdas draagt had hervonden. ‘Wegwezen zei ik toch!’, schreeuwde de secretaris met een hoofd dat eruitzag alsof het ieder moment uit elkaar kon spatten. ‘Ja ja, we gaan al… Kom Fons, gaan we lekker thuis blues luisteren’, zei De Kromme met een lichtelijk psychotische grimas op zijn gezicht en trok De Peuter aan zijn arm de gang uit. De gemeentesecretaris staarde hen met verhoogde bloeddruk en bonkend hart na.

De Peuter en De Kromme hadden hun intrek genomen in een van de invalide wc’s op de begane grond van het gemeentehuis. Om de stank op het toilet te verdrijven rookten ze zware shag en inhaleerde met lange teugen. Bang om betrapt te worden waren ze niet, want in het hele gemeentehuis liep of rolde slechts een enkele invalide door de gangen.
‘Ik ben allang blij dat het dat secretarisje was die ons ontdekte en niet het meske. Van haar waren we in elk geval niet zo makkelijk afgekomen, zoveel is zeker’, zei De Peuter, terwijl hij rook naar het plafond blies.
De Kromme volgde de kringen rook met zijn ogen en dacht aan de dingen die ze hadden gehoord: ‘Tilburg failliet, regelrechte ramp.
 
Waarom had de burgervader in hemelsnaam toegelaten dat er zo tegen hem gesproken werd? Zoveel vragen en geen antwoorden.
En in plaats van deze te gaan zoeken, zaten zij nutteloos te wezen in een stinkende wc. Plannen bedenken, handelen moesten ze. De Peuter’s altijd aanwezige politiespirit scheen om de een of andere reden gematigd te zijn en dat irriteerde De Kromme mateloos.
‘En wat nu?’, gromde hij van naast de toiletpot. ‘Wat moeten we nu doen? Ons op die etage vertonen kan niet meer, maar lastig genoeg is dat nou juist wél de plek waar we moeten wezen. Laat die hersens van je eens werken, je bent toch niet voor niets rechercheur? Jullie soort heeft toch altijd van die snode achterbakse plannetjes klaarliggen, wanneer weer eens de waarheid boven tafel dient te komen?’
De Peuter zuchtte.
‘Volgens mij heb jij teveel naar CSI zitten kijken, want enige weet van wat het rechercheurschap inhoudt heb je zo te horen niet.’
‘Nee, nu je het zegt… volgens mij geef ik je werk veel meer eer dan dat het hoort te krijgen’, sneerde De Kromme, terwijl hij de toiletdeur opengooide.
Achter de toegangsdeur naar de herentoiletten klonken steeds dichterbijkomende mannenstemmen en noodgedwongen stapte hij weer terug in het toilet, deed de deur op slot en gebaarde naar De Peuter dat hij stil moest zijn.
Die haalde enkel zijn schouders op en bleef ingezakt tegen de muur leunen.
Druk pratend deden twee mannen de deur van de wc open.
‘Het bevalt me helemaal niets. De bewaking zou er beter op moeten letten dat niet zomaar iedere idioot door kan dringen tot in het hart van het gebouw. Belangrijke zaken kunnen dan verloren gaan.’
‘Ja, belangrijke zaken inderdaad…’, sloot de ander aan.
‘Ik wil weten wat ze hebben gehoord, want alle gelekte informatie is in wezen te veel. We moeten ze zien te spreken en een één of ander aanbod doen. Misschien valt dan de zaak nog te redden.’
‘Ja, misschien wel inderdaad, misschien wel…’, bevestigde de ander weer gewillig.

De Kromme en De Peuter keken elkaar met ingehouden adem en grote ogen aan. Terwijl de mannen het toilet verlieten, gebaarde De Kromme naar De Peuter dat ze moesten gaan staan. Toen de wc-deur dichtviel durfde ze pas weer uit te blazen.
‘Ik heb een plan!’, zei De Peuter, bij wie de rechercheursgeest weer terug was gekeerd. Hij sprong op de wc-bril en stompte met zijn vuisten tegen de plafondtegels boven hem.
‘Je maakt veel te veel lawaai man, doe eens wat zachter!’, riep De Kromme nerveus en liep ijsberend door het toilet. ‘Hebbes!’, zei De Peuter opgewonden en duwde de plafondtegel omhoog. Door het lawaai hadden De Peuter en De Kromme niet gehoord dat de toiletdeur open was gegaan, tot er een stem zei: ‘En wat denken jullie in hemelsnaam dat jullie aan het doen zijn?’

Tekst: Naomi Engels
Illustratie: Hjalmar van den Akker