Tilburg Virtueel

...in cultuurbreedste zin

TilburgZoap - Aflevering XV


Ed Schilders

‘Voor mijn part schijten en schrijven ze heel Tilburg tot aan de nok toe vol’, had de chef gezegd, ‘maar ze blijven van míjn mensen af.’
En of Hein zich ook even wilde herinneren dat ze die Vermogen zowat in een ‘straight jacket’ Stadskantoor 1 hadden moeten uitdragen. Je kon toch ‘godverdomme’ wel aan je water aanvoelen dat het hier om meer ging dan ‘lauwe zeik’?
‘En die Kromme?’ had Hein nog gevraagd. Die Kromme, daar gingen ze, als het aan de chef lag, van z’n lang zal ze leven geen gebruik meer maken. Finito! Capice? En waarom zou ‘ons meske’ hem anders persoonlijk bellen? Of hij die bitch kende? Niet echt. Dat moest Hein dan vooral zo houden, maar de chef zou hem één ding vertellen, en dat moest hij heel goed in zijn oren knopen: ‘Die bitch denkt dat ze heel erg clever is.’

‘En?’
‘En wat?’
‘Hoe dom is ze?’
‘Wat denk je. Zeg jij mij nou eens wat jíj denkt. Ik krijg ons meske aan de lijn. Ons meske belt mij nóoit! Iedereen zegt dat ons meske iedereen stijf vloekt. Kan lekker zijn, stijfvloeken, hou me ten goede, maar tegen mij was ze heel beleefd. Jankerig. Dat het toch niet zo kan zijn dat Stadskantoor 1 extra bewaking nodig heeft, geterroriseerd wordt door plafondschijters – haar meervoud, mind you – en de risé is van de hele pers en alle ingezonden-brievenschijters, tot en met een cartoon van Gummbah in een landelijk ochtendblad waar de ‘uitwerpselen’ vanaf druipen. En dat ze vermoedt dat er ‘ten stadhuize’ een ‘mol’ zit, of minstens een ‘klokkenluider’, en mogelijk ‘iets ergers’… Dus?’
‘Heel dom,’ had Hein geantwoord. De chef had hem tevreden aangekeken.
‘Want?’
‘Ze denkt dat jij dom bent.’
Dit gesprek, had Hein gedacht, is verdomd goed voor mijn carrière. En toen hij eraan toe had gevoegd: ‘Dubbele agenda,’ had hij in de ogen van de chef gezien dat hij later dit jaar promotie zou maken.
En zo kwam het dat Hein van de ene op de andere dag plotseling een eigen kamer had met een eigen naambordje: H. Havickx. Hij trapte zijn peuk uit. In de verte zag hij het silhouet van West Point.

Links van hem, dichterbij, het verlichte skelet van de toren van de kerk in de Hasseltstraat. Hein Havickx stak over naar het hart van de rotonde terwijl de klok van de Hasseltse kapel twee keer sloeg.Om te beginnen had hij alles op een rijtje gezet wat er over de zaak bekend was. Veel was het niet. Een handvol rapportjes van De Peuter, waaronder twee geschreven op bierviltjes, en één memootje in diens hand: ‘Betalen weemoed de troubadour de wijn’. Enige digitale foto’s van de graffiti-ontboezemingen van de plafondschijter. Verder: een ingekomen brief van een zekere Peters, waarvan de hoofdzaak bestond uit de tekst dat De Peuter kon doodvallen – waarbij Hein Havickx bedacht dat het echt iets voor De Peuter was om zo’n advies bijna letterlijk op te volgen. Hij zette niettemin een streep onder de naam Peters en een uitroepteken achter ‘doodvallen’.Zo verstreken de eerste dertien minuten van Hein Havickx’ eerste werkdag met een eigen naambordje op de deur van zijn eigen werkplek.Vervolgens bekeek hij de stukken die op de plaats delict aangetroffen waren. Een gipsen afgietsel van een schoenzool maat 47 legde hij onmiddellijk terzijde. Een dichtbundel met waterschade: ‘Het meisje en de dood’.
Havickx vroeg zich af of er een verband kon bestaan. Het graf van Marietje Kessels op de begraafplaats aan de Bredaseweg, de strijkkwartetten van Schubert, en de plafondschijter. Maar in de dossierlade vond hij verder niets anders dan een vacuumgezogen plastic hoes met daarin een dwarsfluit. Op de sticker aan de achterzijde las hij de resultaten van het forensisch onderzoek. Bij het aangevinkte vakje FPF ofwel ‘vingerafdrukken’ had de dienstdoende onderzoeker geschreven: ‘Lijken wel van een kabouter.’ Maar strijken of fluiten, dacht Hein Havickx, dat zijn toch heel verschillende dingen?De middag van die dag was hij wakker geworden van het rinkelen van de telefoon. De centraliste. Dat er iemand van de Brabantse Koerier aan de lijn hing.
‘Ik zit net in een onderzoek’, zei Hein.‘Maar ze willen een eerste reactie.’
Hein zette het volume van ‘Der Tod und das Mädchen’ in de uitvoering van Alban Berg en zijn kwartet wat lager.
‘Havickx.’
Of hij het al gehoord had.
‘Zeker weten’, zei Hein, die geen idee had waarover de dienstdoende verslaggever het had.
‘Wat denkt u er dan van?’
‘Ik denk dat we hier te maken hebben met iets wat heel Tilburg aanbelangt, en waarop onze samenleving een helder antwoord moet hebben. Niet alleen voor ons maar vooral voor onze kinderen en zelfs kleinkinderen.’
‘Dus u veroordeelt de jongste acties van de plafondschijter?’
‘Iedereen heeft in Nederland het recht op vrije meningsuiting. Wie zal ik dan zijn om ze te veroordelen?’
‘Zelfs als dat in de openbare ruimte gebeurt?’
‘Zelfs als dat in de openbare ruimte gebeurt.’

In de dagen die op deze eerste werkdag volgden, raakte Hein Havickx  gewend aan de bizarre wendingen die althans door de media tot zijn onderzoek werden gerekend. Bezoekers van de Hasseltse kapel hadden het beeld van Onze-lieve-vrouw aangetroffen in een T-shirt met de opdruk die door RTL4 ‘onterend’ werd genoemd:‘Dit is het hemd van de Maagd van de HasseltU schijt mijn hemd vol, en ik? Och, ik was ’t.’

Vergelijkbare teksten, steeds weer met viltschrijvers op T-shirts aangebracht, werden de volgende ochtend ook aangetroffen in het Kruiswegpark van Peerke Donders in Tilburg Noord. De Brabantse Koerier speculeerde of hier een Tilburgs kunstenaarsinitiatief aan het werk was dat aan guerillamarketing deed. Maar die optie sloeg niet aan. Foto’s van de calvarieberg met onder het kruis een geknielde Maria Magdalena in een op de twee juiste plaatsen opengewerkt shirt, haalde de voorpagina van NRC/Handelsblad, Trouw, en het Financieele Daglad. De tekst was: ‘I shit T’. Waarbij het woord ‘shit’ vervangen was door een dampend pictogram. Hein kreeg van de chef een auto met chauffeur om zich naar Pauw & Witteman te laten vervoeren, en aldaar uit te leggen dat het hier een incident betrof. En mogelijk zelfs kunst.
Op de terugweg over de A1 kreeg Hein een sms’je, en hij gaf chauffeur Smolders de opdracht door te rijden naar poptempel 013. Aangekomen in het Veemarktkwartier baande Hein Havickx zich een weg langs zeven ambulances, een hoogwerker van de brandweer (standaard bij meldingen over concertzalen), en twee geblindeerde limousines. Op de gevel zag hij nog juist de smeulende restanten van een metershoog T-shirt met als opschrift ‘POP=POEP’. Het huis van de Hasseltrotonde draaide door. Hein Havickx stapte in het zand, stak een Gauloise op, en keek naar het kunstwerk. De telefoniste had hem doorgeschakeld. Een uurtje geleden.
‘Ik heb hier iemand die zegt dat het dringend is.’
‘Heb je zijn naam?’ had Hein gevraagd.
‘Heb ik’, zei de telefoniste.
‘Zijn nummer?’
‘Staat.’
‘Geef dan maar.’
Hein hoorde een hele verre en hele diepe leegte, een strot die ademde maar nog niet sprak.
‘Hallo?’
‘Om twee uur. Hasseltrotonde 1. See you there, buddy.’ 

Hein liep een rondje over het terrein van de rotonde. Het ‘Huis’ draaide maar was donker. Vooral dat ‘buddy’ had hem uit zijn nest doen kruipen. Hij stapte op de stalen plaat die de voortuin of de stoep moest voorstellen. Hij keek naar binnen maar zag niets bijzonders. Hij stapte van het stalen stoepje af en liep naar de achterzijde. De achterdeur van het huis stond open.
‘Hallo?’
Hein voelde even aan de binnenzak van zijn regenjas. Hij opende de deur wat verder. Ging naar binnen. Lege ruimte. Alleen, zo te zien, een open trap naar boven.Hij hoorde gezoem, en zag een electromotor in de hoek van de kamer.
‘Hallo iemand? Hier?’
Vanaf de bovenste verdieping klonk een holle stem. ‘Heer Havickx! Mooi. Fijn dat u gekomen bent. Welkom in het Huis.’
‘En met wie heb ik het genoegen?’ riep Hein naar boven.
‘Wat dacht u?’,  riep de stem naar beneden.
Hein Havickx liet een stilte vallen. Want dat De Peuter en de Kromme in de Tilbo-variant van Pulp Fiction hadden gezeten, dat was wat Hein Havickx tot daar aan toe, en dat hadden ze mooi zelf maar moeten weten. Maar als het aan hem lag, dan was hij de laatste om vervolgens een rol te spelen in Reservoir Dogs. Hij had altijd al een hekel gehad aan bloed. Zeker aan zijn eigenste. En daarom liet Hein Havickx die stilte vallen, tikte hij een Gauloise op, en stak die aan met een zwaluwlucifer. Hij inhaleerde de rook rustig, blies die uit, en zei: ‘Toch zeker niet de beruchte Tilburgse plafondschijter?’

Tekst: Ed Schilders
Illustratie: Hjalmar van den Akker