Tilburg Virtueel

...in cultuurbreedste zin

TilburgZoap - Aflevering XVIII


Pieter Bon

Daar stond Havickx. Buiten. In zijn hand een stukje papier met een gedicht erop voor zijn vrouw, geschreven door Mikkers, een café voorbijganger waarmee hij in gesprek raakte toen hij het  niet meer wist. Zo vlak voor zijn vertrek naar Rotterdam wist hij sowieso niet meer waarom hij er ooit voor gekozen had om zo lang in deze stad te blijven. Was zijn leven niet bedoeld om er op uit te trekken, om vreemde horizonten te verkennen en altijd maar op pad te zijn? Vanuit het café dreunde de muziek tot op de straat.

De eerste druppels vielen aarzelend op zijn jas. Naar huis? Zijn vrouw het gedicht voorlezen en daarna naar bed of aan de drank? Zij zou hem niet begrijpen. Met het gedicht wilde hij laten zien dat hij van haar hield en met haar de lust wilde delen. Maar zou ze luisteren of begon ze weer te vertellen over de verhalen van toen en toen en toen? Hij bleef staan, verroerde zich niet, alsof er geen beweging meer in zijn leven zat. Het café vulde zich. Achter hem langs liepen mensen, gearmd of nog intiemer, naar binnen. Geen beweging in zijn benen. “Mijn gevoel is zo dood als een pier”, dacht hij niet hardop. “Ik moet mijn schoenen nodig poetsen”, fluisterde hij. “Het stuur van mijn fiets roest al jaren”, dacht hij. “En nu ligt De Peuter ook nog in het ziekenhuis”.
Het Elizabeth Ziekenhuis, waar hij dertig jaar geleden een vrouw bezocht met een ziekte die “geen aandacht” heette. Hij zag de dichter Jees voor zich, die had er ook gelegen, problemen aan zijn hart. Jees wilde naar huis om te kunnen drinken en ’s avonds op zoek te gaan naar vrouwen die hij niet kon krijgen. Ach Jees, hoe zou je het gedicht van Mikkers hebben gevonden? Je diepe lach zou door de kamer hebben geklonken en het zweet zou op je voorhoofd staan. Jees overleed na een avond stappen. Op een morgen zette hij koffie, legde een hartpilletje onder zijn tong en ging heen. Stil staan, niet verder kunnen, dat voelde Havickx. Dichter Jees ging naar Amerika, bedacht hij, met geleend geld.  Huurde een auto, zette een cassetterecorder aan, vertelde allerlei verhalen en sprak zichzelf moed in. “Ja, zichzelf moed inspreken, dat zou Havickx moeten doen”, sprak Havickx tegen zichzelf. “We gaan ons voorbereiden op Rotterdam en alles komt goed”.
“De Peuter gaat van de ijzeren long af, pakt zijn werk weer op, en ik ga aan de slag in de havenstad. Daar ruikt het anders, voelt het anders, en is het water nog zwarter dan hier in de Piushaven. In Rotterdam komt de wereld bijeen. Mensen komen niet verder dan Rotterdam. Ze halen Tilburg niet”.  

Zijn Tilburgse jaren waren bijzondere jaren geweest. Geploeterd op het werk, gevochten met zijn vrouw en de liefde nooit gevonden. Althans, een enkele keer wel, op een verlaten nacht in Noord, ergens op een flat. Woonde daar ook niet liedjeszanger Son die zijn huiskamer als theater had ingericht? Wat een buik kreeg Son uiteindelijk. Hij moest zelf ook uitkijken. Door al dat stilstaan kreeg hij te weinig beweging en paste sommige broeken niet meer. Son viel vorig jaar  dood neer bij de bushalte. Nee, hij wilde naar huis, hij wilde warmte en genegenheid. Hij wilde niet meer de koelte van de stad of een dichter die hem een papiertje had toegestoken met een gedicht voor zijn vrouw.  Wat kon het toch zeiken van de regen in Tilburg. Hij liep langs het Wilhelminapark, het water stroomde langs zijn gezicht. De bomen droegen licht groene bladeren en hij snoof het voorjaar op tot diep in zijn longen. De benauwdheid die hij doorgaans overdag voelde, was even weg. “Geen probleem”, dacht hij, “ik ga naar huis”.
“En met de zomer in aantocht kan er niets meer fout gaan”.  “Kussen en slopen”, het kwam plotseling in zijn hoofd op alsof hij door een onverwachte beweging zijn iPod tot bijna onhoorbaar had teruggedraaid, daarna over het schijfje had gewreven en toen knalhard hoorde: “kussen en slopen”.
“Kussen en slopen, godverdomme, het zal toch niet waar wezen, het leven is kussen en slopen”.

Kussen en slopen, daar was hij de afgelopen dertig jaar mee bezig geweest! Alleen een krankzinnige koos voor de Politieacademie en hij had het gedaan. En daarna ontkende hij alles in zijn leven wat ooit belangrijk voor hem was geweest. Kussen en slopen, eerst de liefde en daarna het verval. Het Wilhelminapark lag achter hem en hij liep de Molenstraat in. Op nummer twaalf hield hij opeens stil. Was dit niet het huis van de onlangs overleden Fer, de kunstschilder die na een carrière als leraar Economie voor “de kunst gekozen had”. Ja, verdomd, nummer twaalf. Opeens voelde hij een drang die hij nooit eerder had gevoeld. Hij wilde iets doen wat hij nog nooit eerder had gedaan. Hij wilde de wereld omdraaien, op zijn kop zetten, tegen het licht houden en van zich af gooien. Niet de politie zijn maar de inbreker. Niet aan de kant van de wet staan maar aan de kant van het verkeerde, van het niet mogen.  

Hij liep door de poort van de taxicentrale naar de achterkant van het huis. Daar had de kunstenmaker zijn atelier gebouwd. Daar had  hij wel eens op zondagmiddag meewarig geluisterd naar de openingstoespraak van een semi bekende Tilburger. Kleiner kon niet. Voorzichtig duwde hij tegen de deur. Geen weerstand, met een eenvoudig duwtje kraakte de deur open. Hij stond in het atelier van de juist overledene. “Kussen en slopen, kussen en slopen, kussen en slopen”, mijn God, het dreunde, nee, beukte in zijn hoofd. Ze hingen er nog, de schilderijen van de laatste expositie die de kunstenaar niet meemaakte. Een week daarvoor overleed hij. Havickx las het in het Stadsnieuws, de aankondiging van de expositie. Hij haalde een voor een de schilderijen van de muur, maakte er een stapel van, plaatste er een stoel voor en dook erop met gespreide armen. “Kussen en slopen”, brulde hij en dacht aan De Peuter die in het ziekenhuis lag en aan zijn vrouw die thuis niet op hem wachtte.

Tekst: Pieter Bon
Illustratie: Hjalmar van den Akker