Tilburg Virtueel

...in cultuurbreedste zin

TilburgZoap - Aflevering XX


Frans van der Meer

‘Een pilsje zou er wel ingaan’, dacht Havickx toen hij eindelijk vond dat hij klaar was met het slopen van de kunstwerken. Alle doeken waren aan flarden gereten en de spieramen aan mootjes gehakt. De muren waren besmeurd met alle olieverf die in het atelier te vinden was.

Even overwoog Havickx tot slot de boel maar in de fik te steken met behulp van de aanwezige voorraad terpentine, maar bij nader inzien vond hij het wel welletjes zo.’Dat zal ze leren.’mompelde hij in zichzelf en weer kwam als vanzelf de gedachte aan een koel biertje in hem op. Hij had tenslotte ook erg hard gewerkt. Hij moest natuurlijk ook wel een beetje oppassen dat hij niet gesnapt werd, want zoals hij als wetsdienaar wist, viel het slopen van andermans kunstwerken onder de strafbare feiten. En het plegen van strafbare feiten is verboden. Eigenlijk zo’n beetje het basisprincipe van de politieacademie. De kunstenaar was dan wel overleden, maar dat zou in de rechtszaal een erg zwak verweer zijn. Het geeft natuurlijk helemaal geen pas om iemands werk te gaan vernielen, zodra deze het tijdige met het eeuwige heeft verwisseld. Nee, dan kon je wel aan de gang blijven want er overlijden iedere dag wel kunstenaars ergens op de wereld. En om dan maar meteen te beginnen met slopen… Hoewel er wel werken bestaan van al dan niet overleden kunstenaars, waar de maatschappij zeker niet op zit te wachten. Deze en dergelijke dingen overwegend, begon zijn dorst steeds groter te worden en hij liep zo onopvallend mogelijk de straat op, op zoek naar een geschikte drankgelegenheid. Na enige tijd liep hij langs café ’De Bolle Wartel’ en vertraagde zijn pas. Hij twijfelde even of hij wel naar binnen zou gaan. Hij voelde zich namelijk niet helemaal op zijn gemak. Iedereen die wel eens strafbare feiten pleegt zal dit begrijpen.Hij besloot toch maar de stap te wagen en betrad het gezellige kroegje, waar juist een bekende sfeerzanger aan zijn optreden begonnen was.’Waar blijvon die handjaaaas?!’ klonk het door de benauwde ruimte. Havickx kreeg even de aanvechting om rechtsomkeert te maken, maar zijn dorst kreeg de overhand en hij wurmde zich door de mensenmassa richting bar. Hij probeerde de aandacht van de barmeid te trekken met handgebaren. Hij werd niet opgemerkt. Juist toen hij besloot dan maar om aandacht te schreeuwen, zette de volkszanger een nieuw lied in, voorafgegaan door een oorverdovend;’Ik wil jullie zien springaaaa!’ De behoefte om te springen werd hierdoor bij het publiek, noch bij onze held aangewakkerd. Er heerste een algehele desinteresse in de zanger, die toch alles in het werk stelde om de handjes op elkaar te krijgen. Het volume werd nog wat opgeschroefd en hij brulde met overspannen stem;’Hebben we der allemaal zin iiiiiin?’ Uit de zaal kwam vooralsnog geen reactie.Havickx had ondertussen eindelijk een biertje bemachtigd en probeerde een rustig plekje te vinden. Dit viel nog niet mee. Hij wilde eigenlijk een goed gesprek voeren met een geestverwant. Een boeiende dialoog over kunst en dergelijke, dat was waar hij behoefte aan had. Maar nu stond hij noodgedwongen te luisteren naar Nederlandstalige toppertjes in een zwetende menigte. 

Opeens zag hij in een hoek een gestalte met een bierbuik en een wilde baard. De man rookte zowaar een pijp en dronk daarbij een zwaar Belgisch bier. Havickx herkende in hem onmiddellijk een kunstminnaar. Het leek te mooi om waar te zijn. Hij had hem vrij spoedig bereikt en probeerde niet al te gretig een discussie over kunst en cultuur op gang te brengen. De man had hier overduidelijk wel oren naar, voor zover de sfeerzanger het toeliet en al gauw waren de twee heren verwikkeld in een uitgebreide conversatie. Vrijwel de gehele landelijke kunsthistorie kwam aan bod en natuurlijk ook de Tilburgse kunstscene werd uitgebreid besproken. Het kostte wat moeite om de man te verstaan, maar het was wel duidelijk dat hij wist waarover hij sprak, gezien de wijze waarop hij aan zijn pijp lurkte en de manier waarop hij de ene trappist na de andere achteroversloeg. Ja, Havickx was erg onder de indruk en hij moest zich dan ook inhouden om niet te vertellen over zijn actie van vandaag. Dat van die kunstvernietiging dus. Hij wist echter als ervaren politieman, dat je nooit aan vreemden je criminele activiteiten moet opbiechten. Ook niet aan bekenden trouwens. Het werd later en later. De sfeerzanger begon zowaar goed te klinken en het kwam in hem op om nog eens een kijkje te gaan nemen in het door hem bezochte atelier. Een van de dingen die je op de politieacademie leert is dat een crimineel altijd terug zal keren op de plaats van het misdrijf. Natuurlijk wist ook Havickx dit en toch, onder invloed van de drank overmoedig geworden, begaf hij zich, diep in de nacht, richting Molenstraat. Hij sloop het atelier binnen. O,o, hoe moest dit aflopen?

Tekst: Frans van der Meer
Illustratie: Hjalmar van den Akker