Tilburg Virtueel

...in cultuurbreedste zin

TilburgZoap - Aflevering XXIII

Nick J. Swarth

En buiten is het donker en ja, het regent, en ja, het dondert, het hagelt stenen zo groot als negereieren, een zondvloed is nakende, mongolen dansen de Plop, de wereld gaat aan vlijt ten onder – een feestelijke dag.

En u bent zojuist met lood in de schoenen een barak binnengeslopen en aarzelt op de drempel van een ruimte die is volgestouwd met blanken. Hier en daar een verdwaald gen uit een of andere woestijn, maar toch overwegend blanken. De koortsachtig boven het gezelschap wiekende ventilator vermag niet te verhinderen dat de koppen parelen. Druppelende blanken, druppelende, bange blanken, in feite de meest bescheten partij beschetenen die u ooit van uw leven bijeengedreven zag en als een crackhoer in een pretpark dringt zich aan u de gedachte op: dit is niet het moment voor quasi-grappige beelden.

En omdat zelfcorrectie tijd vereist en achteloos maakt, hebt u meteen een watjekouw van hier tot ginder te pakken. Nog voor u goed en wel een voet over de drempel hebt gezet staat u te trillen op u benen en proeft bloed.

‘DAT ZAL JE LEREN, BRODDELAAR!’

‘Maar ik heb niks gedaa…’ – wederom correctie vereist – ‘Nog… niks gedaan.’

‘DAN WAS DEZE VOOR HET GEVAL DAT JE HET GAAT DOEN!’

Nog groggy van de eerste muilpeer weet u de tweede niet te omzeilen, maar omdat u ineen krimpt en wegduikt schampt hij slechts uw verstand. Zo goed als binnen staat u nu en de enige manier om te ontsnappen aan meer opdoffers is voorwaarts bewegen, het bedompte lokaal betreden en plaatsnemen op een van de gammele zetels.

Achterna gezeten door uw belager en angstig piepend struikelt u over de ruwhouten vloer, trapt tot overmaat van ramp op iets dat ongenadig kraakt, zozeer dat de dociele kudde beschetenen unaniem het hoofd heft, de een schuchter, de ander schuldbewust, de derde besmuikt proestend, om te zien wat daar zo kraakt, wie daar binnentreedt en of, en zo ja: in welke mate, deze vandaal de aframmeling krijgt waar hij om vraagt. 

Het besmuikt geproest doet uw bolle belager echter terstond van richting veranderen, en terwijl uw schrik omslaat in vreugde en u de sensatie ervaart van een geluk bij een ongeluk (onmachtig baan te geven aan de gedachte dat nu een ander tot bloedens toe wordt afgerost) duikt u op een stoel en tracht zich klein te maken, zo klein als nodig is om verder toch vooral niet op te vallen.

Voor de een zijn het Tutsi’s met machetes, die op een zandweg een krijsende Hutu in mootjes hakken (of waren het Hutu’s met machetes, die op een zandweg een krijsende Tutsi in stukken hakten?), voor de ander de befborstel van Kader Abdollah.

Traumatiserende beelden. Taferelen die men zich de rest van zijn leven zal herinneren, die de loop ervan bepalen, die men meeneemt in zijn stinkende graf. Slecht gekaderde plaatjes die men liever niet had aanschouwd, in het macaber licht waarvan neutraliteit onmogelijk, ja, zelfs ziekelijk is; plaatjes waarvan men stante pede deel gaat uitmaken, ongeacht of men zich fysiek in genoemd kader bevindt. Al valt van de gezichten van de meest bescheten partij beschetenen die u ooit van uw pover leven bij elkaar zag af te lezen dat dit laatste het er beslist niet beter op maakt.

Opdat het gemoed van de lezer verschoond blijft van traantrekkende emoties, die het lezen hinderen, dient hier te worden volstaan met een zakelijke beschrijving. Het is dus niet uit harteloosheid, integendeel, dat de aanwezigen koudweg worden onderverdeeld in vernederden en vernederaars, en de eerste categorie, die reeds veelvuldig de revue passeerde, kortstondig mag gaarkoken in zijn eigen sop, daar de behoefte aan kennis omtrent de laatste, bestaande uit vijf mannen, blanke mannen van middelbare leeftijd, navrant is.

‘ZO! DAAR ZITTEN WE DAN,’ zegt de eerste. Blank dus, en van middelbare leeftijd.

‘WAT EEN MISSELIJKMAKEND ZOOTJE!’ zegt de tweede. Blank, middelbare leeftijd. Het is de bolle belager. Hij gaf reeds een rondje ten beste. Nu ramt hij zijn vuist vol in het gelaat van een der aanwezigen vrouwen. Haar tanden waren nog echt.

‘HET LOKALE SCHRIJVERSGILDE! LITERATOREN, SCRIBENTEN, KWANTEN EN DILETTANTEN!’ roept de derde, blank et cetera, die in een nare hoek ligt te pompen op een homp bloedend vlees. ‘PENNENLIKKEND X-BURG!’

‘DUH!,’ rochelt de vierde. Waarschijnlijk blank en van middelbare leeftijd, is moeilijk te bepalen met zo’n ijzeren long.

Nummer vijf staat achteraf. Zwijgt. Zucht. Doet het voor geld. Kan niet weg. Riskeert contractbreuk.

‘IK DENK DAT JULLIE ONS WEL KENNEN,’ bulkt de eerste.

‘AL BLIJKT DAARVAN WEINIG UIT JULLIE SCHRIJFSELS!’ bulkt de tweede.

‘LATEN WE HET GEHEUGEN EVEN OPFRISSEN! WEET IK METEEN WEER WAT VOOR VERKNIPTE GEEST IK BEN!’ bulkt de meedogenloos pompende derde.

‘Een naamloze ex-leraar Nederlands, dat ben jij,’ zegt nummer een. ‘De Kromme luidt je bijnaam. Steuntrekker, pillenslikker en zuipschuit. Gedumpt door het vrouwtje. Werd verdacht van diefstal en gearresteerd door een dienstklopper.’

‘Moi,’ zegt nummer twee. ‘Stef van Dooren, aangenaam. Ik heb een ongezond uiterlijk, zwaar lijf en dikke kop. Ik naaide u en neukte uw ex. U voelt een enorme drang om me te doden, maar zoals gezegd: ik ben slechts een irrelevante dienstklopper in dienst van Vrouwe Justitia.’

‘Het betrof dan ook een doodlopende verhaallijn.’

‘Zo is het.’

‘Meneer Kromme zou aan het rommelen zijn geslagen met een wethouder. Zij nam het niet voor hem op, als gevolg waarvan hij een jaar in de lik verdween.’

‘Het betrof een doodlopende verhaallijn.’

‘Voorts bemoei je je doorlopend met het onderzoek in de zaak van de plafondschijter. Helaas om volslagen onduidelijke redenen. Je hartsvriend is Fons de Peuter, mogelijk schuilt daar een motief. Naar de reden van je hartsvriendschap is het evenwel gissen, daar je op de hoogte bent van het feit dat ook hij je ex te grazen nam.’

‘Een opsteker voor de voortgang van het verhaal derhalve, dat uw ‘hartsvriend’ hard op weg is zelf te verworden tot een doodlopende verhaallijn,’ grijnst Van Dooren.

‘Shut… the fuck up, Van… Dooren,’ kreunt de kop in de ijzeren long. ‘Nobody loves… a smarty pants.’

‘Amice, u bent van alle karakters stellig het meest verknipte,’ bijt Van Dooren hem toe. ‘Fons de Peuter, ex Binnenlandse Varkens Dienst, thans rechercheur. Aan het slot van aflevering 5 tegen de vlakte gereden om in aflevering 6 gezond van lijf en leden door te draven naar aflevering 8, waar blijkt dat u, en ik citeer: ‘enige tijd in het ziekenhuis had gelegen.’

‘De consequentie is zonneklaar,’ meent nummer een. ‘In de rolprent “Jacobs Ladder” ontwaakt de hoofdpersoon uit een nachtmerrie, om vervolgens te ontdekken dat de vredige, familiale staat waarin hij vertoeft een droom in de droom is. De realiteit is de nachtmerrie. Ergo: alles wat plaatsgreep in de afleveringen 6 en 7 is enkel gebeurd in de geest van De Peuter. Maar dan ook alles. Gelieve elke handeling uit die episodes uit het collectieve geheugen te bannen.’

‘Beste Hein Havickx,’ zegt Van Dooren. ‘Zo verknipt als De Peuter is, zo verstoken van dubbele agenda’s bent u. U bent toch enkel uit op de positie van de toegetakelde vent in de long hier achter ons. Maar ook u ontsnapt niet aan de broddelzucht van dit zootje ongeregeld, onze zogenaamde scheppers, die wij hier voor dit protagonistentribunaal hebben gedaagd. Na een abrupte promotie in deel 15, dankzij de salto mortale van De Peuter, maakt u in deel 17 opnieuw promotie. Twee bevorderingen binnen twee delen, dat is zelfs voor een Nederlandse diender kras.’

Havickx lacht geamuseerd.

‘Ach ja, die continuïteitsdingetjes… Wat dacht je van je vriend in zijn ijzeren long? Keilt in episode 14 van de trap, claimt het ene moment een prijzig toestel in het academisch ziekenhuis van Antwerpen en drie afleveringen later zo’n zelfde apparaat in het lokale Elizabeth Ziekenhuis. Alsof hij de zorgverzekeraar al niet genoeg plukt.’

‘En dan… die weer… zinwekkende suggestie,’ knarst De Peuter amechtig, ‘Dat we, dat we… allemaal crypto-aanhangers-van-de-Griekse-Beginselen zijn…’

‘Ik doe anders flink mijn best om het tegendeel te bewijzen,’ knort De Kromme.

En het is waar, lezer, dat hij zich stierlijk vergrijpt aan een van de scribenten, na de ziel eerst halfdood te hebben gemept wegens vergaande wanprestaties. Daarop viel niet af te dingen, het dient gezegd. De vergelding is hard maar billijk, te meer omdat genoemd auteur er niets van zal leren. Over het onrecht dat onze helden is aangedaan, hoeft op dit punt eigenlijk al geen onduidelijkheid meer te bestaan. Mocht dit onverhoopt wel zo zijn, blijf dan hangen voor het vervolg. De wet van Murphy leert immers dat het rottigste nog moet komen.

Vanzelfsprekend wil de lezer horen wie het is die hier zo noodlottig wordt ingewijd in de Griekse Beginselen. Uit piëteit dient het te worden verzwegen. Het is al erg genoeg dat de persoon in kwestie zelf beseft dat híj het is, die hier wordt geregen aan het lugubere lid van een sadist, die Dutroux, Fourniret en Fritzl degradeert tot zandtaartbakkers. Volstaat het, hier op te merken dat de beul niet voor niets ‘de kromme’ werd genoemd.

Weer is het Van Dooren die in het wilde weg op de verdoofde meute begint in te slaan, tik tak, BOEM bang – hij snuift en blaast en briest, pure woede, opwellend uit de tenen, ingegeven door, wel, een besef, een benul, een inzicht. Nog een inzicht, opgeteld bij de deprimerende hoeveelheid die reeds aan het licht trad.

‘DE FANTASIELOZE ONVERLATEN! DE KROMSCHRIJVERS!’

‘Spreek dan toch, man, wat zit je dwars?’ zegt Havickx.

‘Als aflevering 6 en 7 vervallen, wat wordt er dan van “Mijn vader woont in Rio” en de dichtbundel “Het meisje en de dood”?’

‘Weg met Burny Bos, weg met Peter Faber, weg met Jean Pierre Rawie: betekenisloze aanwijzingen, stuk voor stuk. Van geen enkel belang voor het verhaal.’

‘Maar snap je het dan niet? Ze worden ook nog genoemd werden in de episodes erna. En vermengd met elementen uit eerdere afleveringen. Meer dan eens!’

‘Dat betekent…’

‘Dat betekent dat…’

‘Goeie god!’

‘Dat eigenlijk alle afleveringen…’

De schaduwen van de ventilatorbladen snellen koortsachtig over de verschrikte koppen van de verenigde X-burgse scribenten.

‘Mijn God!… Mijn God!… Waarom hebt u… ons verlaten?’ krijst De Peuter.

De trouwe lezer krabt zich nog maar eens de hersens, zoals hij dat al deed in de vierde alinea, waar De Peuter ten tonele werd gevoerd in zijn ijzeren doos, in weerwil van zijn ontslag uit het hospitaal aan het eind van aflevering 22. Het Tweesteden deze keer, het derde op rij, zodat de inmiddels afgerichte lezer vlot verondersteld ook hier van doen te hebben met een continuïteitsfout. Niet is minder waar. De Peuter kroop terug in de long om de scribenten te intimideren. Is toch een bangmaker van jewelste, zo’n creperende gast die wordt beademd door een ijzeren doos, zeg nou zelf.

‘Mijn God!… Mijn God!… Waarom hebt u… ons verlaten?’

Zoveel bitterheid in de noodkreet van de man, waarvan slechts het hoofd zichtbaar is, van zijn levenslust beroofd als hij is door het gros der lieden tegenover hem, gegoten in een stroeve bast, een negatieve-druk respirator, verlamd, gehoond – zoveel bitterheid is meer dan zelfs de beroerdste scribent kan verdragen.

‘IK KAN HET NIET AANZIEN!’ schreeuwt Hein Havickx en ijlt naar het stopcontact.

‘WAT DOE JE NOU?! WAT DOE JE NOU?!’ roept Van Dooren.

Maar het is al gedaan.

De stekker van de ijzeren long bungelt doelloos uit het plafond.

Een gebbetje, trouwe lezer. De Peuter was immers teruggekropen in het apparaat om de scribenten wat extra schrik aan te jagen.

Van Dooren grijpt de stekker om hem terug te duwen, Havickx verkoopt hem een stoot in zijn buik, ze rollen over de ruwhouten vloer, knallen op de verbouwereerde Kromme, die op slag een slappe krijgt en grienend in een hoek kruipt, enigszins verstrikt in zijn broek, die bleef hangen op de enkels toen het schenden een aanvang nam.

‘Mijn dwerg, mijn dwerg, waar is mijn dwerg?’ snikt hij, doelend op het fictieve doerakje, dat sinds aflevering 4 niet van zijn zijde wil wijken.  

Men zegt wel eens: er viel een stilte. Men zegt ook: er rollen koppen. Voordat een kop rolt, dient het mes hem te hebben gescheiden van de romp. Die doorslaggevende tel, waarin het mes de kop scheidt van de romp, volstaat het best om de stilte te typeren die viel toen de Kromme smeekte om zijn dwerg, ware het niet dat reeds in de eerste alinea van dit epistel is toegezegd, dat we ons niet langer zouden bezondigen aan quasi-grappige beelden.

Anderzijds: een doodse stilte is een doodse stilte.

En in het gat dat is geslagen komen alle aanwezigen tegelijkertijd tot een en hetzelfde inzicht. U niet eerder maar zeker ook niet later dan de anderen, al was het maar omdat zij zich stuk voor stuk omdraaien, om vol afschuw u, maar in het bijzonder uw schoeisel te aanschouwen.

‘Nee!’ fluistert de Kromme verbijsterd.

‘Ik… het… het was…’ stamelt u.

‘NEE-EE-EE-EE-EEEEH…’

Mocht er nog een greintje menselijkheid hebben gestoken in het zwijn, dat vermaarde verkrachters en moordenaars degradeerde tot zandtaartbakkers, dan is dat greintje nu voorgoed geweken. Het is geen mens meer, die daar opspringt, het is vleesgeworden drift. Radeloze, redeloze furie.

‘LUL, EIKEL, KLOOTZAK!’

Voordat iemand een vinger kan uitsteken, staat hij voor u en trapt. Maar aangezien zijn broek nog op zijn enkels hangt, trekt het trappende been het andere mee en hangt zijn lichaam kortstondig op een dood punt in de lucht, om vervolgens als een blok tegen de grond te slaan. Getergd vliegt hij overeind, torent boven u uit, vele malen groter dan het leven, en ragt en ramt en raust.

‘POEPTOETER! UROLOOG!’

Aan uw zolen kleeft een restant dwerg, nooit geweten dat dwergenpulp zo waanzinnig kleeft, denkbeeldige dwergenpulp nog wel, snuiven ze soms de godganse dag lijm?! U tracht te wijken, te ontwijken – natuurlijk, natuurlijk, het vege lijf. Bovenop u springt de beul en de stoel valt om en u valt mee en hij erbovenop; alles, alles in beweging, met uitzondering van uw schoenen, die blijven staan waar ze stonden, met dwergenpulp geklonken aan de ruwhouten vloer.

U ziet hoe hij uw hoofd optilt en u in de smoel slaat met een korte, rechte vuistslag. En nog een. En nog een, nog een. BAF! BAF, BAF! BAF! Hij sloopt u, u maakt geen kans. En tegen de tijd dat de fut eruit is en uw facie zelfs door uw moedertje met de beste wil van de wereld niet zou kunnen worden geïdentificeerd, kruipt hij naar uw schoenen, ligt hij aan uw voeten, dwergenpulp knedend, met smartelijke uithalen gierend als hij een nageltje meent te herkennen, of een flard voorhuid.

De verslagenheid is aanzienlijk, doch de rust keert langzaam weer.  

‘Moge dit zijn zoals het is,’ zegt Havickx, ‘Alles is nog niet verloren! Uit eigenbelang wellicht hebben wij onze centen bijeengelegd en een heuse auteur besteld. Eentje die weet hoe het hoort en aan dilettanten stellig uit de doeken kan doen hoe een schrijfsel tot stand komt. De do’s, de don’ts, valstrikken, berenklemmen en vernietigingskampen van het creatief pennen. Ik vraag jullie zeer gewaardeerde aandacht voor: Marek van der Jagt!’

Van Dooren schopt een paar scribenten tegen de schenen en er is applaus. Want dat hoort nu eenmaal zo. Door de bank genomen, maar wie zou zich door zijn bank willen laten nemen, zit een Jood op een podium niet verlegen om klapvee. Strikt genomen is er natuurlijk geen podium. Strikt genomen is er trouwens ook geen Jood. Van der Jagt is namelijk een hersenspinsel.

‘Baal van der Jagt, mogen we u verzoeken enig licht te schijnen over deze en verwante thema’s?’

Van der Jagt treedt voor het voetlicht.

‘Olem sjolem. Je bent gannef als je begint over het weer. Jij denkt, je bent kneis met je knis, maar je bent een lauwdieper. Word ik compleet ibbel van! Achenebbisj is het, om te zaniken over klimatologische omstandigheden. Schaam je glimmers uit je patsef. En denk erom: geen ellenlange zinnen… Is tinnef van ramschores!’

‘In het kader van het positief stimuleren is het aardig als u een woord of twee wijdt aan de positieve kanten van het gezamenlijk gewrochte epistel.’

‘Peerke Donders.’

‘Pardon?’

‘Twee, zei je toch?’

‘Twee?’

‘Woorden, schlemiel.’

‘Baal van der Jagt…’

‘Man ik moet sjeiken. Atenoje!’

De Kromme stelt meteen zijn togusponum ter beschikking. U te slopen, diepbetreurde krenkmeister, heeft hem werkelijk goed gedaan.

En terwijl hij breedvoerig baadt in natuursekt gorgelt hij tegen Baal van der Jagt: ‘Wat een richtvermogen! Dat is toch het voordeel van zo’n besneje eikel. Inzake je opvatting over Peerke Donders wens ik evengoed met je van mening te verschillen. Voor mij, als gepokt, gemazeld en doorgedraaid ex-docent Nederlands, is de scribent die hem ten tonele voerde een open boek. Wat racistische taal, een kutje ertegenaan, bij voorkeur een kinderkutje, en klaar. One trick pony, one track mind. Meester van de retorische rel. En zoals de retorische vraag geen antwoord verlangt, dient men ervoor te waken de retorische rel ermee te verwaardigen. En wat ook snoezig is: hij zal de eerste zijn om dit alles te loochenen.’

‘Ik had hem zijn verhandeling graag horen opzeggen in de kantine van SAT Tigers,’ zegt Van Dooren. ‘Lekker zwaaien met die scherpgerande, ijzeren kruizen. Wie slaat de meeste negers tegen de grond binnen een uur. Of anders op de Gentleman Fight Night. Maar nee: een blanke, besloten gemeenschap op het internet, meer zit er niet in.’

Hein Havickx gniffelt.

‘Is het je trouwens opgevallen, dat de beste dooie man zelfs in het schimmenrijk altijd alleen maar PRAAT over seks? Waar het hart van vol is, loopt de snaaiem van over. Klaarkomen in poedervorm, meer is het niet. Een droogpomper.’

‘Is het daarom, dat ie zo stinkt?’

Het zit Baal van der Jagt, die in de voortslepende afleveringenreeks maar bitter weinig van zijn gading vond, niet lekker, het afzeiken van zijn persoonlijke lieveling (voor hem onverminderd het miskende geweten van de Verenigde X-burgse Scribenten, al zal het hem verder zijn reet roesten, daar er negereieren op hem wachten in Wenen en kindse kutjes in Gstaad). Maar stank revitaliseert zijn belegen hart: ‘Waarlijk een aanbeveling. Want dat hebben ze van mij ook gezegd! Brusselmans dan toch.’

‘Baal van der Jagt…’

‘Oi?’

‘Niet van u, meneer.’

‘Niet van smiegel?’

‘Nee.’

‘Tofelemone!’

‘Van uw stichter, uw grondlegger, uw kus in de nacht: de besneje Übereikel.’

‘Je moet me niet vermamzen, gozer, dat is werkelijk heel mies.’

‘Goed, je stinkt. Jij je zin. Je zoekt het maar uit. Ik ga trouwens ook op zoek. Naar een lekkere stinkende derrière. Lekker potje neuken. Ik weet nog ergens een intiem plekje. Ontdek je plekje, Baal van der Jagt. En jullie allemaal trouwens, nu het er over gaat. Ik, die Vondel, Bilderdijk en Marsman onder de aandacht bracht van mijn leerlingen, weet verdomme heus wel hoe ik een tekst moet deconstrueren. Close Reading is my middle name! En wat lees ik uit de teksten van deze dallesdekkers, Baal van der Jagt?’

De besneje Untereikel moet hem het antwoord schuldig blijven.

‘Na 22 episodes rest er maar één conclusie: dat je ze het allergrootste plezier doet met een uitje naar een begraafplaats. Waarom, vraag jij je af. Om inspiratie op te doen voor deze krielsoap? Welnee! Om een graf open te breken… Maar met respect, hoor! Het is toch een bijzonder graf, zo’n graf van een burgemeester. Rijendik stonden de mensen eromheen toen het werd gevuld. Uit het ganse land waren ze komen afzakken om de kankerlijer toe te vertrouwen aan zijn laatste rustplaats. En om de band te bevestigen die dankzij deze soap tussen ons is gesmeed, bezitten wij dan een voor een zijn lichaam. Anaal. Hij ging ons voor in het leven, hij gaat ons voor in de dood.’

Hoezeer de scribenten opleven valt met geen pen te beschrijven. Jubel. Vreugde.

‘Ja, ja, zo eenvoudig is het. Épater le bourgeois. P’tit truc Titane. Na de mongolen, de crackhoeren, de dwergen, de joden, de Hutu’s, de Tutsi’s en de neger in het algemeen even aftoppen met een bekende, in hoge mate gerespecteerde kankerlijer, zijn graf schenden en zinspelen op verknipte seks.’

Ongemakkelijke stilte. Desillusie. Dooie mus.

De Kromme monstert zuchtend de zichtbaar verongelijkte scribenten. 

‘Maar goed, nu u er allen wel oren naar heeft, met uitzondering van poeptoeter Swarth, die geen oren meer heeft, althans niet als zodanig herkenbare, en trouwens ook geen glimmers, nostert of snaaiem, moesten we er maar een tripje aan wagen.’

Vreugde alom, sjalom, sjalot!

Tot een kiwikoppig kenner van het grafwezen bedenkt dat de populaire burgervader al lang en breed vergaan is. En met hem zijn bips.  

‘Jezus…’

‘…’

‘Deze soap is echt…’

‘Echt, echt, echt, echt, echt…’

‘Compleet, finaal, totaal…’

‘…’

‘Wij zijn mislukt. Wij zijn mislukte romanfiguren. Wij zijn de risee van de stad, het land, Europa, de wereld, het universum. Of toch minimaal van een plukje surfers. Waarom? Waarom?’ fluistert Hein Havickx. Hij wijst: ‘Omdat ZIJ weigerden ons de aandacht te geven die wij als willoze, aan hun perfide machtswellust overgeleverde protagonisten verdienden!’

‘Omdat ZIJ niet de moeite namen zich dienstbaar te maken, de teksten van een ander te lezen, hier en daar eens een knoop door te hakken, zag jij je genoodzaakt de plug te trekken uit het bestaan van onze dierbare vriend De Peuter (gebbetje, trouwe lezer),’ fluistert Stef van Dooren.

‘We zijn vernacheld, vernederd, te kakken gezet,’ fluistert de Kromme.  

Dit is het moment. Dit is het gewijde moment.

Het moment waarop de stront aanvliegt op de bladen van de ventilator.

And the shit hits the fan.

Waar was u toen de stront aanvloog op de ventilator? U zat eronder. Met een tot pulp getimmerd gelaat. Koortsachtig slaan de bladen de smurrie door het lokaal. Binnen de kortste keren zit alles en iedereen onder. De gillende scribenten slaan in blinde paniek de handen over het koppetje, maar durven hun zetel niet te verlaten. Ach, wat zouden ze zich graag doodverklaren, de meest bescheten der beschetenen. Take the A train, the easy way out. Maar het is hen niet vergund.

De Peuter krijst als een mager speenvarken. Kostelijk, denkt de lezer, wat een acteur! Een meester op de vierkante millimeter, waarlijk groots! Los daarvan zit hij klem in zijn negatieve-druk respirator en wordt bedolven onder fecaliën, een bar meurend lijkkleed dat almaar dikker wordt en hem op gruwelijke wijze de adem beneemt, tot hij onder de loden drekdeken pijnlijk eenzaam het loodje legt.

De andere protagonisten draaien als waanzinnige wervelwinden door het lokaal. Hoger spat de smurrie op, diep dringt hij door in de poriën. Zij vieren het sadistisch universum op grote voet. Tot de strontregen een einde neemt en de stront stolt en stolt en stolt en er stilstand intreedt. Omdat alles en iedereen onder zit en is vastgekoekt, kan niemand een spier bewegen.

De lezer, ook niet op het achterhoofd gevallen, zag ‘m al aankomen. Maar realiseert de lezer zich ook het wezen van deze openbaring, dat hem de sleutel tot de oplossing van het raadsel in de schoot wordt geworpen, het einde van het lijden nakend is en ruimte biedt aan een blakende eindsprint?

‘Yup,’ murmelt de Kromme.

‘Lau makke,’ sist Baan van der Jagt tussen zijn tanden.

‘I can see clearly, now the rain has gone.’

‘Huh?’

‘Zijn jullie bekend met “Murder on the Orient Express”? Hercule Poirot zoekt onder de passagiers van de Oriënt Express een moordenaar. Ze hebben stuk voor stuk een fijn motief om het slachtoffer te doden. Aan het eind van de rit blijkt dat ze het ook allemaal hebben gedaan.’

‘En?’

‘Het was één grote schijnbeweging. Begrijp het dan toch. We zijn langs paden en lanen gestuurd, van hot naar haar en terug, van het kastje naar de muur en met een kluitje in het riet, enkel en alleen om de ware dader, of moet ik zeggen: daders, aan het zicht te onttrekken.’

‘Bedoel je dat je de oplossing hebt?’

‘Precies zo, Havickx.’

‘Maar er volgen nog vier of vijf scribenten.’

‘Als we er op tijd in slagen ze los te bikken uit de stront, ja. En om de volgende op weg te helpen, volgt hier een handzame samenvatting van het voorgaande.’

‘Maar dat is tegen de regels!’

‘Mesjogge misjpogge,’ mummelt Baan van der Jagt. Er zit een pitje uit een drol tussen zijn tanden.

‘Uit pure radeloosheid hebben we dit protagonistentribunaal belegd, gillend gek als we werden van de zaak. We hebben de deelnemende scribenten in een barak gejaagd en ze krachtig onder handen genomen. We spraken hen aan op de valse karaktertrekken waarmee ze ons opzadelden. We riepen hen ter verantwoording over de overwegend onnodige tegenstrijdigheden in het plot, kwestie van lezen. We hekelden de onnozele continuïteitsfouten. Kwam er een zinnig woord uit? Neen. We nodigden Marek van der Jagt uit om hen een lesje te leren. Zijn bijdrage viel wat tegen, maar toch: een royaal gebaar.

Maar ook wij, mannen van het goede fatsoen, bleven niet gevrijwaard van de groteske gevolgen van dit tribunaal. Vriend De Peuter legde het loodje (hoe waar, trouwe lezer, hoe waar). En net als we denken dat we in een patstelling verkeren, komt er een teken van boven, huilt het plafond hete stronttranen, ‘schijt’ het plafond. Dan is er toch maar één conclusie mogelijk: alle schrijvers hebben het gedaan. Alle schrijvers zijn schuldig.

Over van alles schreven ze, elk zijn stokpaardje: politiek, wanbeleid, het faillissement van de stad, stadsbomen, homoseksualiteit, alles! Maar een bruisende literaire orgie? Ho maar! Heetgebakerd solosnokken. Eén voor allen en allen voor één? Ho maar! Puberale egotripperij. Lelijke eendjes waar snoeken dienen te rijden.

De zaak van de plafondschijter is opgelost. Het was eenvoudiger dan we dachten. Een kwestie van het perspectief kantelen.’

‘Maar er zijn nog vier of vijf afleveringen te gaan?’

‘Die gaan dan wellicht over ons Meske, de krokodillentranen van Smolders of het failliet van de stad, weet ik veel. Forensische fecaliëntoets, Adje; mysteries genoeg. Uithuilen en opnieuw beginnen. Of anders doen wat meerdere scribenten deden, namelijk of je neus bloedt. En de uitslag van dit protagonistentribunaal straal negeren. Het einde.’

Tekst: Poeptoeter Swarth
Illustratie: Hjalmar van den Akker