Tilburg Virtueel

...in cultuurbreedste zin

TilburgZoap - Aflevering XXIV

Frank van Pamelen

“Ik zeg halleluja! Peerke zij geprezen! De Peuter is terug op aarde.” Havickx boerde het meer dan dat hij het zei. Bij elke plofklank van zijn vochtige p’s spetterde spuug over de stoppels van zijn ongeschoren kin. “Dat ze jou hebben losgelaten, man. Je ziet er niet uit. ”Nee, jóu willen ze fullcolour op de gaykalender", dacht De Peuter.


Hij gooide zijn steek in de struiken.
“Als ze je dan toch ergens moeten ontslaan,” zei hij, “dan maar uit een ziekenhuis.”
Havickx greep hem bij zijn mouw.
“Kom,” kokhalsde hij. “Dat moeten we vieren.”
Nog enigszins afwezig wreef De Peuter zijn vrije knokkels langs zijn slapen. Hij moest even niet aan alcohol denken. Zijn geest had het al moeilijk genoeg met medicijnen. Pseudojiddische hallucinaties, arnoneske analiteiten, de schuimbekkende zeepmaffia, om de haverklap was hij een Methadon Corleone binnen de meest groteske waanbeelden. Waarbij vooral het voortdurende ontstijgen van zijn geteisterde lijf hem angst inboezemde. Hing hij weer helicopterend zijn eigen Droste-effect te ijlen. Zag hij zichzelf in een verhaal waarin hij zichzelf zijn verhaal zag ontleden. Van dat spul werd je godsamme hartstikke meta elke keer. In elk geval meer meta dan don.  Niet al te zachtzinnig werd hij Café Lambiek binnengetrokken. De geur van bier van gisteren hing laag boven de tafels.
Rechts achterin hing een wildbehaarde man afwezig boven een bodempje Leffe blond.
“Mikkers!” brulde Havickx.
“Kijk eens wat ik gevonden heb!”
De plafondpiloot hief zijn hoofd. Kleine ogen openden zich in het geschaafde gezicht als luchtbubbels in pruttelende erwtensoep. Ze probeerden vragend te kijken.
“De Peuter,” ging Havickx triomfantelijk verder.
Geen herkenning bij Mikkers.
“Mijn baas. Mijn superieur.”
Niks bij Mikkers.
“Die rechercheur uit jouw verhaal!”
Havickx schoof twee stoelen bij de tafel, plantte De Peuter naast de plafondpiloot en ging er zelf tegenover zitten.
“Twee pils en een Leffe!” riep hij richting bar.Hij krabde aan zijn kruis en wendde zich tot De Peuter.
“Mijn superieur,” herhaalde hij. Smalend. “Een half jaar onderweg en nog geen stap verder. Lezers van Baantjer zouden allang zijn afgehaakt. Geen CSI-kijker die niet is weggezapt. Tien keer liever As The World Turns dan dit. Zelfs een dagelijkse reality soap rond langskabbelend kanaalwater vertoont meer enerverende momenten dan ons vruchteloze gewroet in verdachte stront.”
“Wij gleeën getweeën tesaam in een boot.”
Het was even stil. Er waarden wel vaker zomaar ineens dichtregels rond in Lambiek, maar zelden zo vreemd getimed. Mikkers hield het bierviltje een eindje van zijn vermoeide ogen, en begon opnieuw.
“Wij gleeën getweeën tesaam in een boot.De stroom was mee en terwijl we niets deeënVooruit zij toch schoot.”
“Godsakke,” vloekte Havickx en hij griste de tekst uit de handen van de dichter. Letters als lange blauwe lijnen vulden de ronde ondergrond. Het was duidelijk het handschrift van de Stapschrijver. Onmiskenbaar. Maar het was geen tekst van Christophe himself.
“Het gaat over jullie,” zei Mikkers, en hij wees naar de deur. “Nijhoff.”
De Peuter stond op en liep naar buiten. Zijn assistent aarzelde even, mikte het viltje op tafel en wankelde achter hem aan. Bij de rand van het Wilhelminapark bleven ze staan.“
Terwijl we niets deeën…” murmelde De Peuter, en hij hurkte neer bij een grijze tegel. Zijn hand gleed over een nauwelijks zichtbare letter. “Nijhoff. Natuurlijk!”

Bijna misten ze de bocht. De fontein voor het Speelland kwam akelig dichtbij. Weer draaide Havickx zijn raampje open. De roekeloze rijstijl van De Peuter was meer dan zijn geplaagde maag kon verdragen. Een spoor van halfverteerde etensresten volgde hen van het St. Elisabeth tot aan de Beekse Bergen. Scherp stuurde de auto naar links, de bossen in, naar het vaarwater.
Roeien (’s middags).

De geur van het verse asfalt vermengde zich met die van Vidar. Een bedorven vlaag waar Lambiek nog een zure punt aan zou kunnen zuigen. Honderd meter verder, tegenover de kanoclub, stapten ze uit. Een triomfantelijke glimlach klom langs de lippen van De Peuter omhoog. Ze stonden pal naast de dure bak van de gemeentesecretaris. Met de bijrijdersstoel in een opvallend horizontale positie.
“Standje De Kromme,” mompelde hij.Wij gleeën getweeën tesaam in een boot.
Behoedzaam keek hij om zich heen, opende zijn kofferbak, gaf de zwaarste helft van de apparatuur aan zijn assistent en gooide zelf de kabels over zijn schouder. Weer voelde hij de pijn aan zijn nek. Die ijzeren pin zat hem de hele dag al dwars. Daarnet nog, toen ze de Saturn in wilden gaan, onder het Niet Te Vretenplein, om camera’s en afluisterapparatuur te kopen, ging het alarm tot vier keer toe af. Stoorde zijn nek op de beveiligingspoortjes. Wat achteraf niet half zo irritant was als de maaginhoud van Havickx die over de caissière heenging, toen die vroeg of ze wilden pinnen. Het was druk op het water. Open dag, kennelijk. Echt zo’n gelegenheid waar volksvertegenwoordigers naar toe plegen te gaan. Om het volk te zien. En vooral om door het volk gezien te worden. Als raadsleden ergens níet kwamen, dan was het wel het Stadskantoor.
De Peuter grijnsde. Hij kende zijn pappenheimers. Drankgerelateerde cultuur (’s avonds), incestueus politiek geneuzel (’s nachts), af en toe een buurthuis (’s morgens). En roeien (’s middags). Als er maar volk is. Niks raadzaal, dacht hij. Niks bestuursvleugel. Hier is het te doen! Zo onopvallend mogelijk liepen ze achter het kanoclubhuis langs naar het houtglazen paviljoen van de roeiclub. Burgerroeiclub TOR.
“Zou zomaar de strontkever van je leven kunnen zijn,” fluisterde Havickx. Weer die grijns van De Peuter. Hij ontrolde de kabels en klom door een klein raampje in het toiletblok. Nog geen vijf minuten later waren de camera’s geïnstalleerd.
“Zo,” siste hij. “Laat ze nu maar komen.” 

Tekst: Frank van Pamelen
Illustratie: Hjalmar van den Akker