Tilburg Virtueel

...in cultuurbreedste zin

Mall symboliseert onzekerheid over de toekomst



Ton Wilthagen over De Tilburg Mall

De mogelijke komst van dit winkelcentrum zorgt al langere tijd voor beroering. Hoe ziet de tussenbalans eruit? Vast te stellen is dat het besluitvormingsproces in veel opzichten mal of zelfs mallotig is verlopen. Voor een democratische procedure helpt het niet als informatie over mogelijke gevolgen - milieu, werkgelegenheid, effecten op bestaande winkelvoorzieningen - niet objectief en eerlijk wordt gegeven, als een rapport over de toekomst van de bestaande binnenstad wordt achter- of vastgehouden en als de provincie kort voor de volksraadpleging meent te moeten aangeven dat het sowieso een ‘no go’ wordt.

Verder is te concluderen dat de mall, ondanks een aantal studies, nog veel  teveel een abstractie is gebleven. Het is zonneklaar dat het oorspronkelijke ontwerp, mede als gevolg van de crisis, niet onverkort kan worden gehandhaafd. De projectontwikkelaar zal dat niet willen ontkennen. Tijdens het debat vorig week aan de Universiteit van Tilburg hebben wetenschappers terecht gepleit voor meer onderzoek en een betere uitwerking. Dat klinkt wat voorspelbaar academisch, maar de kwaliteit van de definitieve beslissing hangt nu eenmaal af van de voorbereiding. En die is absoluut niet optimaal geweest. 
Dit neemt echter niet weg dat de Tilburger op 4 juni in het stemhokje wordt verwacht. Wat te doen, wat nu te stemmen? De burger kan om meerdere redenen kiezen voor een ‘nee’. Hij of zij kan natuurlijk tegenstemmen vanwege de ondermaatse procedure. Maar is die terechte kritiek door middel van een tegenstem goed uit te drukken? Ik vind van niet: een proteststem geeft geen nadere informatie en wordt in de uitslag op één hoop gegooid met een inhoudelijke afwijzing. Is een inhoudelijke verwerping van de bouw van de mall dan niet gewoon de beste keuze? Dat moet iedere Tilburger uiteraard zelf besluiten. Maar op welke grond zou zo’n negatieve beslissing dan kunnen worden gebaseerd? Juist omdat de mall een abstractie is gebleven, is een tegenstem een stem tegen de toekomst. Nederland, Tilburg niet uitgezonderd, zal eraan moeten wennen dat de economie en arbeidsmarkt worden gekenmerkt door tamelijk onvoorspelbare en niet te programmeren  processen van creatie en destructie. Werkgelegenheid komt op, maar zal op enig moment ook weer verdwijnen. Tilburgers zouden dat bij uitstek moeten weten, omdat de textielindustrie een sprekend en een bepalend voorbeeld is geweest van een dergelijk proces. Gelukkig is deze sector redelijk op tijd gesaneerd en zijn er nieuwe vormen van werkgelegenheid ontstaan. Andere steden en landen hebben gefaald in tijdige herstructurering en ondervinden daarvan nog steeds de rampzalige gevolgen. De huidige mix van werkgelegenheid in Tilburg – logistiek, onderwijs, productiebedrijven zoals Fuji, dienstverleners zoals Interpolis – is niet voor de eeuwigheid. Technologische ontwikkelingen (digitale fotografie), milieu-eisen (fijnstof), concurrentie (sportopleidingen), ook vanuit andere Brabantse steden, zullen hun gevolgen hebben voor de bestaande werkgelegenheidsstructuur. Tegelijkertijd weten we dat de vergrijzing in Tilburg later dan in veel andere delen van het land toeslaat en de stad naar verhouding veel VMBO- en MBO-leerlingen opleidt, waarvoor in de toekomst ook banen moeten worden gevonden. Om die reden zou het voorbarig zijn om de mall op dit moment af te wijzen. Angst, zoals voor de bestaande bedrijvigheid, is een verkeerde raadgever. Je kunt het bestaande niet behouden door nieuwe ontwikkelingen te blokkeren. Nederland dreigt in het algemeen één grote tegenpartij te worden, ook bijvoorbeeld wat betreft de houding richting Europa, het andere vakje dat komende donderdag moet worden ingekleurd. De voormalige Belgische premier Verhofstadt wees er onlangs terecht op dat juist een open en onbevangen opstelling Nederland in het verleden veel welvaart en voorspoed heeft gebracht. 

Zelf durf ik, ondanks diverse vragen en bedenkingen, voor te stemmen. Ik ben ervan overtuigd dat een positieve uitslag er niet toe zal leiden dat de burger op enig moment zal worden geconfronteerd met de oplevering van een achterhaald ontwerp, zonder dat hij of zij hierop nog enige invloed heeft gehad. Ik ben er ook voldoende zeker van dat de ontwikkelaar, de gemeente en de provincie bij de verdere voorbereiding en uitvoering niet om de  specifieke belangen, wensen en inzichten van het bestaande bedrijfsleven en de milieuorganisaties heen kunnen. Zo werkt dat niet en zo verkoopt dat niet. Met een positieve stem, graag ook voor Europa, geeft de Tilburger blijk van vertrouwen in de toekomst. Dat die toekomst dan vervolgens samen met hem en haar moet worden ingevuld is niet meer dan vanzelfsprekend. 

Ton Wilthagen is hoogleraar arbeidsmarktbeleid aan de Universiteit van Tilburg