Tilburg Virtueel

...in cultuurbreedste zin

Madeltar's Gids voor Tilburg

Madeltar

Deze week: Tilburg, Pokkenstad

Beste fanbase,

Ik, de savant Alec Madeltar, ben teruggekeerd van mijn spirituele wereldreis. In het kader van mijn magnum opus, een alomvattende Gids voor Tilburg, zal ik wederom een vraag uit jullie gelederen beantwoorden. De vraag van deze week komt van een apocalyptisch visioen en luidt als volgt:

STERVELING,

MIJN VRAAG HEEFT BETREKKING OP DE VOLKSGEZONDHEID IN TILBURG. EEN STAD DIE TOT HET EIND VAN DE JAREN '70 NOG MET EEN OPEN RIOOL WERKTE, ZAL OP DIT GEBIED HET NODIGE HEBBEN MEEGEMAAKT. LICHT TOE, OF IK BESMET JE MET GONORROE.

GEGROET,

PEST, DE DERDE RUITER VAN DE APOCALYPS.

Beste Pest,

Je vraag voert me terug naar de pokkenepidemie van '51.

Begin jaren '50 werd Tilburg getroffen door een uitbraak van de pokken. Hoewel de precieze origine van de uitbraak door de nevelen van tijd is verhuld, luidt de meest populaire lezing dat het virus werd verspreid door een uit India geïmporteerde gier (Brabants Dagblad 2010). In deze tijd kende Tilburg nog een eigen dierentuin, die was gelegen op de kruising van de Bredaseweg en de Baron van Voorst tot Voorstlaan. De collectie van deze dierentuin bevatte onder meer een hyena, twee zebra's en een emoe (niet toevallig de grootmoeder van de emoe die begin 21e eeuw uit een Kinderboerderij ontsnapte een ravage aanrichtte in de Oude Warande en op een deel van de universiteitscampus, doch dat is een ander verhaal). De gier werd – mede in verband met het door een koortsdroom ingegeven initiatief van de toenmalige wethouder van Cultuur om de Wereldtentoonstelling naar Brabant te halen – onder veel media-aandacht in de dierentuin vertoond en besmette daar een fors aantal bezoekers met de pokken.

Nog geen veertig jaar eerder had een spontane uitbraak van cholera 80 procent van de Tilburgse kinderen tussen de 5 en 10 jaar uitgeroeid, dus het stadsbestuur was uitermate ontevreden over deze ontwikkeling. Er werd naarstig gezocht naar oplossingen, die varieerden van het uit voorzorg platbranden van de hele stad tot het verbannen van de zieken naar een in het buitengebied te construeren labyrint.

Uiteindelijk werd voor een simpele quarantaine gekozen, en alle besmette zielen werden afgezonderd in een paviljoen van het St. Elizabeth ziekenhuis, in de volksmond Pokken-eiland genaamd, om daar een tijdje op kosten van de stad uit te zieken.

Binnen dit paviljoen, dat al binnen een week of twee meer dan 500 bewoners kende, was het een wereld op zichzelf, een 'mini-mierennest' (Vandersteen 1967). De verbannen Tilburgers ondernamen verwoede pogingen om zelfs in quarantaine aan hun laatste restjes waardigheid vast te houden, maar zonder enige supervisie was het een bij voorbaat verloren strijd. Omdat ook doktoren en politie geen toegang tot de patiënten hadden, ontstond er al gauw een afzonderlijke hiërarchie binnen het sanatorium. Alle contact met de buitenwereld was verboden en het recht van de sterkste had gelding.

Het werd nog erger, toen het uit Amerika overgewaaide McCarthyisme van die tijd vat kreeg op de toch al zo voor massahysterie gevoelige Tilburgse ingezetenen. Terwijl het virus zelf al op zijn retour was, begonnen Tilburgers elkaar er in het wilde weg van te beschuldigen dat zij de ziekte onder de leden hadden. Een heksenjacht brak uit, en elke dag werden er meer mensen op vage verdachtmakingen die in de meeste gevallen niets met pokken van doen hadden (een zware hoest, onnatuurlijk grote handen of een getinte huidskleur waren soms al genoeg) verbannen naar Pokken-eiland.

Een klein schandaal ontstond toen bleek dat het pokkenpaviljoen werd misbruikt voor diverse politieke intriges. De toenmalig burgemeester van Tilburg, Eduard 'Eddie van voren' van Voorst van Voorst, slaagde er medio '51 in zijn voornaamste politieke rivaal, een gemeenteraadslid met pretenties, op valse geruchten naar het sanatorium te sturen en laste in de tussentijd een inpromptu verkiezing in, waarmee zijn eigen herverkiezing was bezegeld. Toen het provinciebestuur hier lucht van kreeg, gelastte zij hem om onmiddellijk de deuren van het sanatorium open te gooien, maar aangezien men eerder uit voorzorg alle wegen en treinrails die naar Tilburg leidden hadden opgeblazen, was er niets dat de Gedeputeerden konden doen. Tilburg was, zowel in fysiek als in sociaal-cultureel opzicht, hermetisch afgesloten van de buitenwereld.

De eindstand van de pokkenepidemie was hoogst verontrustend. In de vijf maanden (februari tot juni 1951) dat het virus in Tilburg woedde, zouden er meer dan 250 Tilburgers omkomen. Geen van hen stierf aan de pokken.

In het paviljoen braken rellen uit, opstootjes. Pogingen om aan het sanatorium te ontsnappen werden met bruut geweld neergeslagen. Burgers kwamen om, raakten gewond. Het zou nog geruime tijd duren voordat de Tilburgers onder ogen zagen dat de pokken al lang en breed waren uitgeroeid, dat ze hun medeburgers voor niets naar dat kwade en sombere oord hadden verbannen. Het college van burgemeester en wethouders bood de slachtoffers een officiële verontschuldiging aan en er werd begonnen aan een inhaalslag om Tilburg op medisch en hygiënisch gebied op één lijn te brengen met de rest van Nederland. Eind '57 kon het stadsbestuur trots berichten dat de leefbaarheid van de stad reeds te vergelijken was met die van de meeste Oostbloklanden, en die leefbaarheid is sindsdien alleen maar gestegen.

Vragen? Vragen! Tweet ze naar @madeltar o.v.v. #madeltarsgids