Tilburg Virtueel

...in cultuurbreedste zin

Dautzenberg – niet Grunberg – is de Grote Eén



De laatste publicaties van de twee schrijvers naast elkaar
(ThePostOnline, 04-09-2014)

Nog een kleine week en dan ligt het boek van Diederik Stapel en A.H.J. Dautzenberg in de winkel, getiteld De Fictiefabriek. Stapel moet zich nog bewijzen als schrijver van literatuur, maar zoals we van Dautzenberg gewend zijn betreft het in ieder geval weer een gedurfd en origineel boek: deze ‘bevrijdingsroman in brieven’, geschreven door misschien wel de twee grootste schelmen van het Nederlandse intellectuele landschap, bevat een gepassioneerde verkenningstocht in de schemerwereld tussen werkelijkheid en fictie, een gebied waar de twee Tilburgse vrienden zich thuis voelen, en waar ze elkaar al corresponderend trachten te ontmoeten.

Grote broek
Dat A.H.J. Dautzenberg een schrijver van grote klasse is staat inmiddels buiten kijf. Er is in de afgelopen vier jaar geen Nederlandse auteur geweest die zulk grensverleggend en conventieloos werk op de markt heeft gebracht. Zowel inhoudelijk als formeel heeft hij de ramen in zijn vakgebied tegen elkaar open gezet, en de boel eens flink laten doorwaaien. Met vrijwel elke publicatie durfde hij de grote broek aan te trekken, want ‘van een te kleine broek wordt je impotent,’ zo schreef hij onlangs op zijn website in een vurig pleidooi voor literair lef.

Werd Diederik Stapel door heel Nederland verguisd en bespot, stadsgenoot A.H.J. hield een plek voor hem vrij in zijn pas vier jaar jonge oeuvre. En die antibehaagzieke houding werpt zijn vruchten af, want bij Dautzenberg is literatuur weer écht spannend. Niet voor niks vergeleek Reve-biograaf hem al eens met Multatuli; ook Dautzenberg gaat dwars tegen de tijdsgeest in en spreekt waar velen zwijgen, zowel in zijn werk als in zijn engagement. Wieringa, Bouazza, Van der Heijden, De Winter, Zwagerman, Heerma’s van Voss’en, Wortels, (etc. etc. etc.) steken er nogal bleekjes bij af.
Hebben we hier soms te maken met een auteur die, in navolging van de ons allen welbekende Grote Drie, de nieuwe Grote Eén genoemd mag worden?

Concurrent

Er is slechts één auteur met wie hij zou moeten concurreren om die titel, en dat is natuurlijk Arnon Grunberg. Sterker nog, dat zag Grunberg zelf ook al zo, want reeds in 2010 schreef hij een stuk in de Volkskrant, waarin hij de canonisering (= niet meer gelezen worden) van Hermans, Mulisch en Reve voorspelde, en daarmee op zijn typische eigen wijze impliceerde dat hijzelf de 21ste-eeuwse opvolger van de drie heren was.


A.H.J. Dautzenberg zal van dergelijke implicaties niets moeten hebben, terwijl juist hij vandaag de literaire vernieuwer is die Multatuli in zijn tijd, en de Grote Drie in hun tijd waren. Is Grunbergs geïmpliceerde zelfbetiteling dus misplaatst? Laten we de laatst gepubliceerde boeken van Dautzenberg en Grunberg – toevallig in beide gevallen een bundel korte verhalen – eens naast elkaar leggen.

Apocalyps
De verhalenbundel van Grunberg draagt de bombastische titel Apocalyps. De rode, Picasso-achtige kaft omhult ongeveer een twintigtal verhalen, waarvan de meeste eerder in literaire tijdschriften zijn verschenen. Het boek heeft terecht lovende recensies gekregen: Grunberg schrijft nog steeds literatuur die schuurt, confronteert en ons moraalbesef weet te prikkelen.

Desalniettemin betrappen we onszelf tijdens het lezen al op de gedachte: is dit de stem van de belangrijkste schrijver van Nederland? Ten eerste merken we al gauw dat veel van de verhalen in Apocalyps dezelfde thema’s als Grunbergs eerdere romans hebben: moord, overspel, perversiteit en existentiële twijfel lijken aan de orde van de dag. Er wordt languit liggend gehuild op koude tegels in de keuken, een achterlijk meisje wordt door haar broertje vermoord, er worden hoeren besteld door een Bulgaarse redactiedirecteur, en bovenal wordt er weer volop geneukt met de partners van anderen. Met andere woorden: voor de kenner is het allemaal niks nieuws. De grenzen van het toelaatbare worden verkend, maar dan wel vanuit een invalshoek die we zo langzamerhand wel kennen van Grunberg. Personages tonen niet alleen overeenkomsten met die uit andere verhalen binnen de bundel, maar komen tot in detail overeen met personages in romans die de auteur tien jaar geleden schreef. Apocalyps leest alsof je alles van De asielzoeker tot De man zonder ziekte in een grote paradetocht nog eens voorbij ziet trekken. De kans lijkt dan ook gering dat het volgende boek van Grunberg ineens wél een geheel nieuwe toon en benadering zal hebben.

Maar zo erg is dat allemaal nog niet. Verscheidenheid neemt een kunstenaar doorgaans voor ons in, maar als hoofdcriterium leidt het tot al te oppervlakkige beoordelingen. Daarbij zijn er talloze succesvolle en briljante auteurs die vrijwel hun hele oeuvre hebben opgebouwd rond eenzelfde thema, locatie of personage. Daar is dus niet zoveel mis mee.

Het tweede punt van kritiek is echter meer diepgravend: de stimulerende werking van een boek als Apocalyps op de ontwikkeling van de Nederlandse literatuur is namelijk lastig aan te wijzen, als ze überhaupt al bestaat. Kunnen we het werk van Grunberg, in een wereld waarin videogames, series en films massaal geconsumeerd worden en de literatuur in de breedste zin van het woord groter en ondefinieerbaarder is dan ooit – kunnen we zijn werk dan nog wel ‘vernieuwend’ of zelfs ‘belangrijk’ noemen?

En dan komen de foto’s
Laten we, alvorens we op die vraag ingaan, eerst de verhalen van A.H.J. Dautzenberg onder de loep nemen. Net als in zijn debuut Vogels met zwarte poten kun je niet vreten verkent Dautzenberg in dit boek vrijwel alle bochten en hoeken van de literatuur, en brengt hij de horizonnen waar zij versmolten raakt met andere kunstvormen en betekenissystemen op bewonderenswaardige wijze in kaart. Schilderkunst, theater, poëzie en tekenkunst, maar ook filosofie, mystiek en sociale wetenschappen worden op literaire wijze van binnenuit onderzocht. Literatuur is hier geen doel maar een middel, geen bestemming maar een ruimtetijd-schip waarmee de lezer naar de meest bizarre werkelijkheden kan afreizen.

Het universum van Dautzenberg is dan ook, op zijn zachtst gezegd, een stuk vreemder dan dat van Grunberg. Hier staan de dingen pas echt op hun kop: personages gaan niet zomaar vreemd met elkaar, maar kweken een melanoom op de rug van hun vrouw, worden gespietst door een onzichtbare danspaal, eten baby’s als Madeleine koekjes of zijn hun eigen Lolita, met tienertietjes en al.

In dit boek kunnen een kookgerecht en wetenschappelijke grafieken moeiteloos naast elkaar bestaan, vormt een wetsartikel een ontroerend zkv, en bestaat een kort verhaal doodgewoon uit een enkele letter.

Dautzenberg schrijft zich van meet af aan duidelijk in de literaire traditie in, maar claimt direct ook een volkomen authentieke positie, en begint vanuit daar zijn eigen visie op een breed scala aan thema’s te ontwikkelen – een bij uitstek literair schrijver dus. In En dan komen de foto’s wordt de literatuur gebruikt om de literatuur zelf, en daarmee mens en wereld, onophoudelijk te bevragen, onderzoeken en herpositioneren, in een vicieuze cirkel die nog het meest doet denken aan de deconstructiemethode van Derrida; net als bij hem blijkt bij Dautzenberg de schemerwereld tussen werkelijkheid en fictie, en tussen betekenis en betekenisloosheid, oprekbaar te zijn tot in het oneindige.

Grote Eén

Volgens Lyotard was postmoderniteit het tijdperk dat als antwoord op de ongeldigheid van de métanarratifs van de moderniteit de ‘legitimatie door paralogie’ heeft. Deze vorm van legitimatie van ons denken voltrekt zich aan de hand van een logica die niet bestaat uit geldige logische deducties, zoals in de moderniteit, maar uit het doen van des coups, oftewel tegenzetten. In het ‘schaakspel’ van betekenisgeving dienen we zetten te doen die van de bekende procedures afwijken, zodat nieuwe speelvormen kunnen ontstaan, waardoor elke zet gelegitimeerd is en het discours telkens weer open en levend kan blijven.

Als we deze definitie aanhouden, dan is A.H.J. Dautzenberg de meest vooruitstrevende, gretige en bijdetijdse auteur in het Nederlandse taalgebied van dit moment, en is zijn werk van een groter en dieper belang voor de toekomst van de Nederlandse literatuur dan dat van welke collega dan ook – inclusief Arnon Grunberg.

Waar Grunberg keer op keer op de perversiteit, hulpeloosheid en beestachtigheid van de mens blijft hameren, zoekt Dautzenberg in de plooibaarheid van de taal uitwegen om te ontsnappen aan deze kwellingen, door conventionele denkpatronen te doorbreken, en ‘tegenzetten’ te doen. Zodoende verrijkt hij tegelijkertijd de Nederlandse literatuur en ons denken daarover aanzienlijk.

Literair spelletje
Het betitelen van schrijvers als Grote Drie, Twee of Eén is uiteindelijk vooral een literair spelletje, een bezigheid van fanatieke liefhebbers die van lijstjes met legendarische namen en hiërarchische indelingen houden. Desalniettemin zegt een dergelijke rangschikking iets wezenlijks over de tijdsgeest: Gerard Reve, Willem Frederik Hermans en Harry Mulisch waren immers wel degelijk de belangrijkste schrijvers van de naoorlogse literatuur in Nederland.

Misschien dat de volgende bewering daarom iets wezenlijks over onze tijdgeest kan zeggen: zelfs wanneer we zijn dappere betrokkenheid met Stichting Martijn, zijn briljante vondst van de Quiet 500, en zijn terechte steunbetuiging aan Diederik Stapel buiten beschouwing laten, en hem beoordelen puur en alleen op inhoud en vorm van zijn werk, dan nog is A.H.J. Dautzenberg onze belangrijkste schrijver van dit moment.