Tilburg Virtueel

...in cultuurbreedste zin

Ik sticht verwarring, ja

Schrijver

A.H.J. Dautzenberg werd ontslagen bij Fontys Hogeschool vanwege zijn lidmaatschap van pedofielenvereniging Martijn. „Als je van een afstand kijkt, dan werkt het averechts. Maar so what?”

Door
Arjen Fortuin

3 januari 2015

Hij heeft het hele pak papier meegenomen naar Vlieland: prints van de mails rondom zijn aanstelling, de verklaring omtrent gedrag die hij moest overleggen, de interviews die de leiding van de Tilburgse Fontys Hogeschool gaf nadat ze hem hadden weggestuurd, hun brieven, de antwoorden van zijn advocaat. Om te benadrukken dat schrijver A.H.J. Dautzenberg (47) graag speelt met feit en fictie, maar nu niets aan het toeval wil overlaten.

Nadat Anton Dautzenberg begin oktober werd ontslagen bij Fontys, deed hij er in het openbaar het zwijgen toe. Hij was ‘te aangeslagen’. Deze winter trok hij zich als ieder jaar een paar weken terug op Vlieland. Daar wilde hij uiteindelijk wel met een verslaggever praten over hoe hij werd binnengehaald bij Fontys om te helpen een opleiding te hervormen, maar van het College van Bestuur moest vertrekken. En over hoe het nu verder moet, want sinds Dautzenberg drie jaar geleden uit protest lid werd van de inmiddels verboden pedofielenvereniging Martijn, viel de ene na de andere deur in zijn gezicht dicht. Zijn samenwerking met een andere outcast, de voor wetenschapsfraude gestrafte psycholoog Diederik Stapel, maakte het niet beter.

Wat is er nu precies gebeurd in Tilburg?

„In de zomer ben ik door Pieter Bon, de directeur van de Academy for Creative Industries aan de hogeschool in Tilburg, gevraagd om voor hen te komen werken. Ik ken hem nog van vroeger. Hij wilde dat zijn opleiding minder met de rug naar de samenleving zou staan en ik moest mee helpen nadenken over hoe de bureaucratie kon worden teruggedrongen. Inspecties kijken alleen naar de processen en dat trok een zware wissel op de opleiding. Waar angst regeert, wint de bureaucratie. Verder zakte 60 procent van de studenten er voor zijn scriptie. Ze wilden met mij kijken naar alternatieven, bijvoorbeeld of studenten ook op een film konden afstuderen. Ik heb een hele reeks gesprekken gevoerd met studenten en docenten en had het idee dat het heel lekker ging.”

Uw vriend Diederik Stapel werkte er ook.

„Hem was gevraagd om een vak sociale filosofie op te zetten, wat ook in de online studiegids stond vermeld – en inmiddels is verwijderd. Begin oktober stond Omroep Brabant ineens bij het zaaltje waar Diederik les gaf en dat is niet de meest genuanceerde omroep. Dat werd een item over de ‘fopprofessor’ en toen heeft het College van Bestuur gevraagd of er nog meer verrassingen waren.”

Die verrassing was u.

„Mijn naam stond gewoon in de studiegids, ik was gewoon in dienst, had een Fontys-mailadres en alles. Daarop kreeg ik een telefoontje van Pieter Bon, die bij me langs wilde komen omdat hij slecht nieuws had. Toen wist ik wel wat er aan de hand was. Hij had van het College van Bestuur opdracht gekregen me te ontslaan omdat ik als schrijver te controversieel was. Daarna ging hij door naar Diederik Stapel: zijn vak moest worden omgevormd tot een reeks ‘gastcolleges’. Diederik heeft daarop nog een gesprek met een van de leden van het College van Bestuur afgedwongen, maar ik ben niet meegegaan. Mijn advocaat zei: ‘je bent nu veel te boos, als je gaat terwijl je boos bent, ontstaan er misschien antecedenten die je ontslag legitimeren’. Vervolgens is Fontys aan damage control gaan doen. Naar buiten toe is gedaan alsof wij daar bijna niets deden, terwijl hun advocaat op ramkoers zat en mij brieven vol onwaarheden stuurde. Ze wisten dat ze voor de rechter kansloos zouden zijn. In november heb ik een ontslagvergoeding gekregen.”

Hoeveel geld kreeg u mee?

„2500 euro bruto. Ik heb het overgrote deel daarvan aan vereniging Martijn overgemaakt, die in hoger beroep is gegaan tegen het verbod op de organisatie. Ik dacht: als de hogeschool zo graag met de rug naar de maatschappij wil staan, nagel ik dit wel aan hun rug vast. Kom op, man!”

Dat ziet u als uw taak als schrijver?

„Ik ben pas laat gaan publiceren. Doordat ik veel heb gewerkt voor ik ging schrijven, vind ik het logisch om op de samenleving georiënteerd te zijn. Ik heb ook met een dierenambulance rondgereden, met daklozen en als bejaardenvrijwilliger gewerkt. Het thema van mijn werk is hoe we ons verhouden tot werkelijkheid en waarheid. Dat verken ik in mijn boeken, maar daar stopt het niet. Er zijn collega’s van me die zeggen: houd je nou binnen de kaft van dat boek. Dat kan ik niet. Mijn ideeënstroom heeft zijn eigen oevers. Je hoeft het allemaal niet te doen, maar je wilt wel laten zien wie je bent, zeker als je iemand helpt.”

Intussen doet het uw schrijverschap geen goed.

„Voor mijn boeken is het heel slecht, maar ik ben een intuïtief werkend persoon. Als je van een afstand kijkt, dan werkt het averechts. Absoluut. Maar so what?”

Men zegt: daar komt die aandachttrekker Dautzenberg weer.

„Daar heb ik geen invloed op.”

Jawel, toch?

„Als ik lid word van Martijn explodeert alles, maar ik doe niets anders dan lid worden. De explosie geeft ook iets aan. Laat dat maar zichtbaar zijn. Ik wil ook liever positieve aandacht, die balans is bij mij wel een beetje zoek.

„Ik sticht verwarring, ja. Ik doneer een nier en schrijf daar een roman over. Maar achter alles wat ik doe zit een gedachte. Vier mensen hebben naar aanleiding van mijn actie een nier gedoneerd. Ik schreef verzonnen interviews voor de VPRO-gids, maar die gingen er juist over dat economie voor een belangrijk deel fictie is. En de VPRO wist wat ik deed.”

U sticht verwarring, maar u wilt heel nadrukkelijk geloofd worden. U zoekt erkenning als goed mens.

„Ik weet niet of ik dat sterker heb dan anderen. Als je geboren wordt, heb je niet de garantie dat je gelukkig wordt. Ik probeer vanuit een metapositie naar mezelf te kijken en mezelf te relativeren. Wat ik doe is natuurlijk voor een deel ijdelheid. Je hoeft het allemaal niet te doen, maar je wilt wel laten zien wie je bent, zeker als je iemand helpt. Je kunt daar cynisch naar kijken, maar dat wil ik niet. Als je een slecht gevoel krijgt over wat je doet, doe je niets meer. Dan ga je dood.”

In ‘De fictiefabriek’, het brievenboek dat u met Diederik Stapel schreef, zit een scène waarin u hem huilerigheid verweet. Zegt u dat ook tegen uzelf?

„Soms. Het is heel gek. Mijn vriendin zegt tegen me: je mag je ook wel wat meer slachtoffer voelen en dat toelaten. Anderen zeggen: kruip eens uit die slachtofferpositie.”

Wat vindt u zelf?

„Ik heb een huis vol boeken en dvd’s, dus ik kom niets tekort. Maar ik word wel tegengewerkt, heb een soort Berufsverbot. Ik krijg morele steun, maar niemand komt met werk of een baan. Je ziet hoe makkelijk het is om morele boertjes te laten. Dat soort steun waardeer ik, maar het is relatief gemakkelijk. De bezieling verdwijnt, er ontstaat een collectieve angstcultuur. Ik ben radioactief afval. Dat geldt ook voor iemand als Diederik Stapel. Hij is volledig verketterd om wat hij verkeerd heeft gedaan. Het enige wat ik doe is me in die man verdiepen, al een jaar lang. Het is fascinerend hoe kwetsbaar een samenleving is en hoe snel zondebokken ontstaan. Zie ook de pedofiel.”

Heeft u in de literatuur uw bestemming gevonden?

„Ik ben mijn hele leven al aan het vervellen en heb mijn plaats nog niet echt gevonden, al voel ik me bij het schrijven nog steeds lekker. Toen ik begon had ik mijn eigen bedrijfje voor economische en journalistieke projecten. Noodgedwongen ben ik steeds meer opgeschoven richting kunst. Ik ben nu bezig aan een bloemlezing uit de literatuur die mij na aan het hart ligt en ik werk aan een roman Wie zoet is... Ik ga de pogingen staken om in de maatschappij te werken. Dat lukt niet meer. Misschien loop ik wel totaal vast in het bestaan, tot de gekte toeslaat.”

Voor het eerst in het gesprek aarzelt Dautzenberg: „Ik heb... Ik ben... Ik heb 17 jaar antidepressiva geslikt. Daar was ik juist deze herfst mee gestopt toen alles bij Fontys losbrak. Ik heb het toen wel moeilijk gehad, ben tien kilo afgevallen en heb heel veel geslapen. Zeventien jaar in een gewatteerde wereld is veel, alles komt nu hard binnen. Ik was even vergeten hoe dat voelde. In november heb ik nog één ouderwetse paniekaanval gehad. Ik wil minimaal een jaar van de antidepressiva af blijven, eens kijken hoe dat doorwerkt. Misschien durf ik straks wel helemaal niets meer.”